Het nieuwe leren in het basisonderwijs
Geplaatst op 1 juni 2016
Onderzoeksvraag a: Welke verschijningsvormen kent het nieuwe leren; op welke onderwijskundige en leerpsychologische uitgangspunten zijn deze vormen gebaseerd; welke leeropbrengsten vallen van de vormen te verwachten?
Onderwijsvernieuwing is van alle tijden. In de vorige eeuw kenden we de pedagogische reformbeweging, met vertegenwoordigers als Maria Montessori, Kees Boeke, Peter Petersen en Helen Parkhurst. Er zijn interessante raakvlakken tussen de idealen van destijds en datgene wat sinds ongeveer 2000 als het nieuwe leren wordt aangeduid. KPC Groep is een van de eerste instellingen geweest die onder de noemer van het nieuwe leren vernieuwingsinitiatieven in het basisonderwijs heeft ontplooid. Doel van de initiatieven was het ontwerpen van een alternatief voor de gebruikelijke klassikale kennisoverdracht. Leerlingen dienden actief en zelfstandig te leren.
Inmiddels zijn ook elders initiatieven ontstaan met een vergelijkbare doelstelling. Het APS introduceerde het natuurlijke leren, het CPS ontwikkelde het begrip ‘zin in leren’ en Iederwijs heeft de term levensecht leren als centrale noemer gekozen. In de onderwijspraktijk is het nieuwe leren een verzamelterm geworden voor een gevarieerd palet van vernieuwingsinitiatieven. Er bestaat onder gebruikers geen eenstemmigheid over welke vernieuwingen er wel of niet onder vallen. Wel kan het nieuwe leren met steekwoorden nader worden gekarakteriseerd: leerlinggericht, inspelen op individuele capaciteiten en belangstelling, leerlingen werken actief aan de (re)constructie van kennis, leren is gekoppeld aan betekenisvolle contexten, leerlingen leren samen met en ook van andere leerlingen, ze kunnen zelf kiezen en dragen derhalve ook een zekere verantwoordelijkheid voor het eigen leren en de rol van de leraar verschuift richting procesbegeleider of -facilitator.
In beleidskringen is men terughoudend met het gebruik van de term het nieuwe leren. In de wetenschap is er niet of nauwelijks sprake van het nieuwe leren. De wetenschappelijke discussie spitst zich toe op specifiekere termen als socio-constructivisme, metacognitie, zelfregulatie, zelfontdekkend leren en samenwerkend leren.
Als afronding van de begripsanalyse hebben we een definitievoorstel gedaan, waarin de zes belangrijkste onderwijskundige en leerpsychologische uitgangspunten opgenomen zijn.
De term het nieuwe leren verwijst naar vormen van onderwijs die worden gekenmerkt door een of meer van de volgende uitgangspunten:
a. er is aandacht voor zelfregulatie en metacognitie;
b. er is ruimte voor zelfverantwoordelijk leren;
c. leren vindt plaats in een authentieke leeromgeving;
d. leren wordt beschouwd als een sociale activiteit;
e. leren vindt plaats met behulp van ict;
f. er wordt gebruik gemaakt van nieuwe beoordelingsmethodieken, die passen bij een of meer van de hiervoor genoemde uitgangspunten.
Over de leeropbrengsten van het nieuwe leren valt nog weinig met zekerheid te zeggen. In de context van het Nederlandse basisonderwijs is hiernaar geen rechtstreeks onderzoek gedaan. Uit onderzoek elders, vaak in andere sectoren dan het basisonderwijs, blijkt dat de uitgangspunten a, d en e positief samenhangen met de leeropbrengsten bij leerlingen. Het is een serieuze vraag of deze bevindingen
overdraagbaar zijn naar het Nederlandse basisonderwijs.
Onderzoeksvraag b: Hoe krijgt het nieuwe leren in de praktijk van het basisonderwijs vorm?
Alle scholen besteden ruime aandacht aan zelfregulatie en in mindere mate ook aan metacognitie (uitgangspunt 1). Gemeenschappelijk in de aanpak is dat scholen op vaste momenten keuzetijden aanbieden. Tijdens keuzetijden bepalen leerlingen zelf hun leeractiviteiten. Alle scholen bieden leerlingen aanzienlijke ruimte voor zelfverantwoordelijk leren (uitgangspunt 2). Op de meeste scholen
blijft deze werkwijze beperkt tot de domeinen wereldoriëntatie en creatieve vorming. Een veel voorkomende vormgeving is dat leerlingen eigen leervragen formuleren aan de hand van door de leraar geïntroduceerde thema’s. Drie van de acht scholen kennen ook zelfverantwoordelijk leren bij Nederlandse taal en rekenen/wiskunde. Dit impliceert dat leerlingen een zekere vrijheid hebben bij de bepaling hoe en wanneer ze aan deze vakken willen werken. Alle scholen vinden het belangrijk dat leren gebeurt in een authentieke omgeving (uitgangspunt 3).
Sommige scholen proberen dit te realiseren door mensen en materialen van buiten de school naar binnen te halen, zoals het uitnodigen van kunstenaars en het inrichten van ateliers voor koken of techniek. De omgekeerde weg, het leren deels ook buiten school laten plaatsvinden, komt minder voor. Een andere aanpak die we op alle scholen aantroffen, is dat leerlingen zelf mede mogen bepalen wat ze gaan leren. De veronderstelling is dat zelf geformuleerde leerdoelen of -vragen het leren voor hen meer betekenisvol maakt. Alle scholen besteden bijzondere aandacht aan het leren als een sociale activiteit (uitgangspunt 4). Gepraktiseerde manieren om aan dit uitgangspunt tegemoet te komen zijn: heterogene groeperingsvormen of combinatieklassen (op alle scholen), groepsoverstijgend werken tijdens keuzetijden (op alle scholen), tutorleren (op vier scholen) en het gebruik van een hierop toegesneden lesmethode (op één school). Realisatie van leren met behulp van ict (uitgangspunt 5) komt op de scholen in mindere mate voor. De meeste scholen hebben ook weinig voornemens voor een gevarieerder of intensiever ict-gebruik. Alle scholen hebben aandacht voor nieuwe beoordelingstechnieken (uitgangspunt 6), al zijn ze met de invoering nog niet allemaal vergevorderd. Het is met name het leerlingenportfolio waar de aandacht naar uitgaat.
Drie scholen hebben zich hierop alleen nog georiënteerd. Enkele andere scholen hebben het leerlingenportfolio inmiddels daadwerkelijk ingevoerd, maar staan in feite toch nog aan het begin. Het gaat om vormen waarbij leerlingen hun werkjes of werkstukken bundelen, zonder verdere commentaren of opmerkingen. Er is één school die in het leerlingenportfolio ook ruimte heeft gemaakt voor een reflectie van de leerling op de eigen vorderingen.
De zelfbeoordelingen van de scholen stemmen in grote lijnen overeen met wat wij zelf in de praktijk hebben waargenomen. De eerste vier uitgangspunten, samen met het laatste, zijn op alle acht scholen karakteristiek voor de gekozen uitwerking. Voor de overblijvende dimensie, het gebruik van ict, is dat in mindere mate het geval. De zelfbeoordelingen maken daarnaast duidelijk dat de drie nieuwe scholen het verst gevorderd zijn met de realisatie van de uitgangspunten van het nieuwe leren.
Onderzoeksvraag c: Hoe vinden op scholen waar zich vormen van het nieuwe leren voordoen, registratie en toetsing plaats van leeropbrengsten en andere vorderingen?
Zes van de acht scholen maken gebruik van toetsen uit het leerlingvolgsysteem van het Cito, vier scholen gebruiken ook de Eindtoets Basisonderwijs van dit instituut. Andere aangetroffen instrumenten zijn methodegebonden toetsen en leerkrachtbeoordelingen over vorderingen, houding en gedrag. Toetsing en registratie van leeropbrengsten en andere vorderingen is een aspect dat scholen wel degelijk belangrijk vinden. Maar een probleem is dat de bestaande toetsen minder passend worden geacht, onder meer vanwege de door het Cito aanbevolen vaste afnamemomenten. Er is behoefte aan toetsen die het leerplan op de voet volgen en die afgenomen kunnen worden als de leerling eraan toe is.
Deze tekst is overgenomen uit de samenvatting van het eindrapport; zie bij Publicatie(s) hieronder.
Heb je vragen over dit thema? Stel ze in de onderwijs community binnen de Wij-leren.nl Academie!
Details van het onderzoek
NWO-projectnummer: | 413-05-020 |
Titel onderzoeksproject: | Het nieuwe leren |
Looptijd: | 01-08-2005 tot 01-03-2006 |
Projectleider(s)
Naam | Instelling | |
---|---|---|
Dr. H. Blok | Universiteit van Amsterdam | hblok@kohnstamm.uva.nl |
Publicatie(s)
Relevante links(s)
[Bron: Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO)]
Gerelateerd

ANWB


Medilex Onderwijs


oo.nl


Wij-leren.nl Academie

















































