De mondelinge taalontwikkeling van jonge kinderen -3-

  Geplaatst op 28 juni 2021

Filipiak, P. (2021). De mondelinge taalontwikkeling van jonge kinderen -3-.
Geraadpleegd op 19-09-2021,
van https://wij-leren.nl/verwerving-zinsopbouw-woordopbouw.php

In een drietal artikelen wordt de taalontwikkeling van het jonge kind belicht. Het eerste artikel besteedt aandacht aan de denkontwikkeling, de sociale ontwikkeling en de non-verbale communicatie. In het tweede artikel ligt de focus op de taalontwikkeling. Hoe verloopt de fonologische en lexicale ontwikkeling vanaf de babytijd? In dit derde artikel belichten we de verwerving van zins- en woordbouw door het jonge kind.

De verwerving van zins- en woordbouw

De dreumes gaat woorden en zinnetjes begrijpen. Hij zoekt zijn speen als hem gevraagd wordt “Waar is je speen?”. En hij wordt blij als zijn broertje roept “Daar!”. Het kind gaat proberen na te zeggen wat tegen hem gezegd wordt en het uit steeds meer herkenbare klanken. Rond de eerste verjaardag zegt het zijn eerste echte woordje, meestal “mama”, maar ook wel “auto” of “woef”, en hij verwoordt wie of wat belangrijk voor hem is. In deze eenwoordfase communiceert de dreumes met de woordjes die het ter beschikking heeft.

Tussen anderhalf en twee jaar breidt de dreumes zijn woordenschat sterk uit en het komt in de tweewoordfase: “Woefie aai?” betekent “Ik wil de hond aaien.”.

Het kind wordt nu erg geholpen in zijn opbouw van de taal wanneer ouders terugpraten in correcte zinnen. Dus als het kind kaas benoemt als “taas” niet zeggen: “Nee, het is kaas.”, maar “Ja, jij krijgt kaas.”. (3)
Al snel volgt de fase van de meerwoordfase. De peuter breidt zijn actieve taalgebruik uit tot meer woorden per uiting. De kleuter kan kleine verhaaltjes vertellen en wat later ook aan de hand van plaatjes een verhaaltje navertellen en ontwikkelt zich op vele vlakken: motorisch, cognitief en geheugen, sociaal, emotioneel, en in samenhang met dat alles, ook op het vlak van taal. Ook in grammaticale zin verbetert het kind zijn uitingen.
Zie voor meer informatie over de taalverwerking de volgende sitehttps://www.kinderneuropsychologie.org/encyclopedie/taalverwerving

Het mechanisme van de verwerving van zins- en woordbouw

Het vermogen om bedoelingen van anderen te begrijpen is cruciaal voor de sociaal-pragmatische verklaring over de ontwikkeling van syntaxis en morfologie bij jonge kinderen. (2) Dreumesen, peuters en kleuters gebruiken zinspatronen (syntaxis) en woordvormen (morfologie) die hen nooit expliciet zijn onderwezen. Ze zijn in staat om zinsbouw af te leiden uit de volwassen taal.
‘Kernzinnen of holofrasen’, zoals ‘doen, nietdoen’ worden in feite als één klank- en gebruiksgeheel onthouden. Ze hoeven door het kind tijdens het eigen praten niet geconstrueerd te worden. Kernzinnen vormen een voorraad aan uitingen die ‘de kern’ vormen voor de verdere uitbouw van de zinsstructuur en van morfologische verbuigingen en vervoegingen van woorden. Zie voor meer informatie:  https://www.greelane.com/nl/geesteswetenschappen/engels/holophrase-language-acquisition-1690929/

Nadat ze een voorraadje holofrases beheersen, gaan ze steeds meer letten op de regelmatigheden (en onregelmatigheden) van zinnen en woordvormen. Daarmee ontwikkelen ze hun ‘zinsbouwend en woordvormend vermogen’ en gaan van eenwoorduitingen, via tweewoorduitingen naar meerwoordzinnen die grammaticaal steeds completer worden.

Ze krijgen, als het goed is, vaak reacties op hun (onvolmaakte) zinnen en kunnen daardoor hun zinnen verbeteren. Ze worden niet verbeterd; ze verbeteren zichzelf.

Ze ontwikkelen op deze manier abstracte zinsbouw- en woordvormregels die ze in nieuwe situaties met andere taalelementen kunnen gebruiken.
Door een deel van een eigen kernzin ‘Ik ben gek op….’ te verbinden met hun favoriete dingen, geven jonge kinderen bijvoorbeeld ook commentaar op elkaar en op voorwerpen of gebeurtenissen. Ze herhalen een deel van de kernzin ‘Ik ben gek op ……’ en combineren dit met allerlei woorden die ze al kennen: ‘Ik ben gek op oma.’. Deze manier van leren noemen we ‘Zinnen verzinnen’. Op deze manier maken kinderen nieuwe zinnen en leren daarmee de grammatica van de taal.

Kinderen blijken, anders gezegd, een vermogen te bezitten om uit kenmerken van zinnen de achterliggende grammaticale structuur voor nieuwe zinnen uit te proberen. Elman, 2003 in (2); Zie ook: Linda Ventriglia; Conversations of Miguel and Maria; How children Learn A second Language; 1982.
Ze leren dit door eerst de betekenis en bedoeling bij de spreker te achterhalen en daarna de relatie tussen de betekenis en de geuite taalvorm te koppelen. Dit taalleren in een interactie tussen taalleerders en taalbeheersers is een belangrijk taal leerprincipe. (1). Er is met andere woorden bewijs dat kinderen jonger dan 24 maanden al aanzienlijke syntactische kennis bezitten. Eenjarige bezitten al een mentale gevoeligheid voor de goede volgorde van zowel inhouds- als functiewoorden in zinnen en de positionering van specifieke morfemen. (2)

Een dreumes begint later in het tweede levensjaar verschillende patronen van grammaticale frames op te merken.

Als het onderdelen van zo’n frame kan losmaken en vervangen door een ander taalelement, probeert het een taalstructuur uit, waarmee de bouw van nieuwe taaluitingen mogelijk wordt. Het kind luistert naar de eigen taaluitingen, vergelijkt deze met het taalaanbod uit zijn omgeving en pas de eigen vondst aan.
Zinsbouwontwikkeling begint met het leren van taal zonder begrip van de onderliggende structuren van de meerwoordzinnen of kernzinnen. Toch leren dreumesen, peuters en kleuters die gaandeweg. Door te kijken naar de initiatieven die kinderen op dit punt zelf nemen, krijg je meer inzicht in dit leerproces. Je kunt er daardoor beter bij aansluiten in je taalstimulering. Syntactic Supports for Word learning; L.R. Naigles, L. D. Swensen in (2).

Fasering van zinsbouw- en woordvorm-ontwikkeling

Gaandeweg ontdekt het kind, dat mama soms iets doet, dan weer dat papa iets aan mama geeft. En daarbij wordt ontdekt dat er betekenisverschil is door een woordvolgorde in: 'Mama geeft papa een koekje; Papa geeft mama een koekje.’. De dreumes zal dan ook leren om met een goede woordvolgorde een bedoeling aan anderen over te brengen.
Dit laatste slaagt steeds beter door de verwerving van begrijpelijke meerwoordzinnen. (3)

Het aantal begrepen en gesproken woorden in zinnen breidt zich verder uit.

Volgens Brown ontstaat de zinsstructuur in een aantal fasen van 1 tot ongeveer 7 jaar, die natuurlijk niet precies op elkaar volgen maar elkaar ook overlappen. Hij gebruikte de gemiddelde lengte van de uiting van een kind (MLU), uitgedrukt in morfemen, om deze stadia aan te geven en kinderen met dezelfde chronologische leeftijd vertonen duidelijke verschillen in uitingslengte. Er blijken vijf fasen te onderscheiden in de ontwikkeling van de zins- en woordbouw. In fase 1 ligt de gemiddelde uitingslengte van kinderen dicht bij twee morfemen en in fase 5 bevatten uitingen gemiddeld vier morfemen. (1) Beschouw stadia en fasen als elkaar overlappende takken in de grillige ontwikkelingsboom van jonge kinderen.

Fase 1. De vroege spraak van dreumesen en peuters gaat in telegramstijl. Met slechts een- en tweewoorduitingen bereiken ze veel, zoals dingen benoemen, vragen om meer, iemand koppelen aan een actie (‘Mama ga’) of een object (‘Papa sok’), een kwaliteit van iets benoemen (‘ei heet ‘) relateren, en verbaal wijzen (‘Deze auto’). Lidwoorden (de, het, een) , werkwoordsvormen (ben, bent, is, zijn)  en hulpwerkwoorden (wil, kan) worden nog grotendeels weggelaten, maar kinderen gaan in de richting van de betekenisvolle woordvolgorde van het volwassen taalgebruik.
Wanneer dreumesen en peuters voldoende woorden kennen, beginnen zij met korte vragen te stellen of benoemen zij in telegramstijl dingen die hun interesse hebben, zoals: 'deur open', 'ik koek', 'bed toe', 'ik dorst'. De intonatie en de klemtonen zijn in deze fase erg belangrijk voor het begrip. Hierdoor kunnen we in combinatie met de context begrijpen wat de dreumes of peuter bedoelt. 'Deur open' kan betekenen dat de deur op dit moment openstaat. 'Deur open?' kan ook betekenen dat het kind vraagt om de deur te openen. (3)

Fase 2. Een morfeem is de kleinste talige vorm met een betekenisvolle of een grammaticale betekenis. De zin ‘De meisje-s speel-de-n voet-bal’ bevat vier zelfstandige betekenisvolle morfemen: meisje, speel, voet en bal. En vier grammaticale morfemen de, -s, -de, -n, die respectievelijk een aanduiding van bepaaldheid en meervoud betekenen. Voetbal is een combinatie van de vrije morfemen voet en bal. Meisjes bestaat uit een vrij en een gebonden morfeem: meisje en de meervoud -s. In het Nederlands kunnen morfemen voorvoegsels, achtervoegsels, tijdsvervoegingen van werkwoorden en verbuigingen van zelfstandige naamwoorden zijn.

Peuters beginnen deze grammaticale relaties te ‘finetunen’ door woordeinden of woordvormen toe te voegen voor de tijd van een werkwoord, door meervoud uit te drukken met -s en -en, door lidwoorden en voorzetsels toe te voegen en door eerdere zinsconstructies of kernzinnen verder grammaticaal te verfijnen.
Een zin bestaat uit enorm veel verschillende onderdelen: de persoonsvorm, het lidwoord, bijwoorden, hulpwerkwoorden enzovoort.

Kinderen leren eerst het zelfstandig naamwoord, maar al snel daarna komen er ook werkwoorden en bijwoorden bij.

De eerste lidwoorden verschijnen tussen de leeftijd van anderhalf en twee jaar. Zo'n 22 procent van de driejarigen vergeet nog het lidwoord te gebruiken. Rond het tweede levensjaar gebruiken kinderen ook regelmatig het woord 'en'. Later volgen woorden als 'toen', 'maar', 'want', 'omdat' en 'daarom'. (3)

Wanneer het kind regelmatig de /t/ toevoegt (aan de zin 'hij loopt') of weglaat (bij de zin 'ik loop'), heeft het kind de vervoegingen van persoonsaanduidingen eigen gemaakt. Vanaf drie jaar, nadat de plaats van de persoonsvorm en andere werkwoorden in een zin zijn ingeslepen, leert de peuter het verschil tussen enkelvoud en meervoud.Het kind ontdekt wanneer hij 'ik speel' of 'wij spelen' moet gebruiken.
Als laatste ontdekt en imiteert de kleuter de juiste vervoegingen van werkwoorden met klankveranderende tijdsaanduidingen: lopen, liep. Het kind maakt van de zin 'Ik pannenkoek eet.' dan 'Ik heb een pannenkoek gegeten.', maar het woordonderdeel ge- wordt nog weleens vergeten. Tijdens deze ontdekkingsreis zijn dus de vervoegingen niet altijd meteen juist. (3).

Fase 3. In deze fase zetten peuters en kleuters eenvoudige meerwoordzinnen om in andere zinstypen zoals vragen, ontkenningen (‘Dat wil ik niet’) en eisen of verzoeken (‘Doe dat niet!’). Rond de leeftijd van 3,5 jaar gebruiken peuters nauwelijks vraagwoorden, maar binnen zo'n twintig weken na deze leeftijd kunnen kinderen zich dit toch eigen maken. Na het verwerven van de juiste plek voor de persoonsvorm en andere werkwoorden, ontdekken ze nu ook waar ze lidwoorden en onderwerpen in een zin moeten plaatsen. Kinderen spreken steeds meer in complete zinnen. Naast het leren van de voegwoorden, ontdekken en imiteren kleuters de plaats van de persoonsvorm en andere werkwoorden in een zin. (3)

Fase 4. Er zijn drie soorten van zinsinsluiting die als eerste na de kleuterperiode verschijnen: zinsaanvulling, indirecte vragen en bijzinnen. Met zinsaanvulling zegt het kind zinnen als 'Ik denk dat ik wat kauwgom wil.', 'Ik hoop dat we kunnen gaan.', of 'Ik denk dat je gelijk hebt.'. Indirecte vragen zijn vragen als ‘Wie mijn auto heeft meegenomen, moet hem teruggeven.’ en ‘Weet je waar die is?’.

Fase 5. Deze fase begint al rond de leeftijd van drie of vier jaar, maar strekt zich uit tot in de basisschoolleeftijd en na de adolescentie. De zinnen in telegramstijl verdwijnen, waardoor zinnen van peuters en kleuters nu meer lijken op die van volwassenen. Uiteindelijk worden de eerder beschreven zinnen uitgesproken als 'De deur is open.', 'Ik wil een koekje.', 'Ik ga naar bed toe.' en 'Ik heb dorst.'.

Door goed te luisteren naar andere kinderen en volwassenen om zich heen, dus bij voldoende taalaanbod, construeren ze uiteindelijk in grammaticale zinnen wanneer zij genoeg taalruimte en taalfeedback krijgen.

Op deze manier spreken schoolkinderen steeds meer in complete en samengestelde zinnen.
In eerste instantie verbindt het schoolkind volledige zinnen door simpelweg ‘en’ of ‘en dan’ toe te voegen als verbindingswoordjes. Dan horen we uitingen als ‘Ik heb je gebeld en je hebt niet geantwoord.’ of ‘Ik kwam thuis en toen was mijn mama weg.’. Uiteindelijk verschijnen voegwoorden zoals 'maar', 'omdat' en 'zo' die de koppeling van beweringen nauwkeuriger uitdrukken. Uiteindelijk leren kinderen tijdens de differentiatieperiode (2,5 tot 7/9 jaar) ook aanwijzende voornaamwoorden als 'deze', 'die', bezittelijke voornaamwoorden als 'mijn', jouw' en vraagwoorden als 'wie', 'wat', 'wanneer'. (3)

Met de differentiatiefase is de taalontwikkeling geenszins afgesloten. De begripsontwikkeling gaat het hele leven door. De tekstopbouw en de schriftelijke vaardigheden worden in de lagere schoolperiode verder ontwikkeld. Er wordt in dit verband gesproken over de voltooiingsfase (tot 9 jaar). Complexere en langere zinsbouw komt gemiddeld genomen pas na het 12e levensjaar echt goed tot ontwikkeling.

Literatuur

  1. Er is in de artikelen gebruik gemaakt van het werk van Allen /Brown/Yatvin in ‘Learning Language Through Communication’ uit 1986. Dit boek is vooral sterk in het typeren van de communicatieve kant van de denk- en taalontwikkeling van kinderen. Zowel wat betreft hun voorschoolse- als basisschoolperiode.
  2. Erika Hoff en Marilyn Shatz redigeerden in 2009 het ‘Blackwell Handbook of Language Development’ met uitgebreide en gedetailleerde informatie, van verschillende auteurs, over de taalverwerving van kinderen.
  3. In het bet boek van Eveline Bogers, Al Pratend wijs, vind je veel tips voor de taalstimulering van jonge kinderen. Het boek maakt onder andere gebruik van de informatie van A.M. Schaerlaekens.
  4. In 1977 en 2016 schreef A.M Schaerlaekens het boek ‘De taalontwikkeling van het kind’. Daarin beschrijft ze gedetailleerd de verschillende periodes in het taalverwervingsproces van kinderen, vanaf de geboorte tot de leeftijd van 8 jaar. De tweede editie uit 2016 is op verschillende punten geactualiseerd. Het werk van Schaerlaekens vormt de basis van veel informatie over de taalverwerving van kinderen in het Nederlandse taalgebied.
  5. Handboek taalontwikkeling, taalpathologie en taaltherapie bij Nederlandssprekende kinderen S.M. Goorhuis A.M. Schaerlaekens, oktober 2000.
    Dit handboek van Goorhuis en Schaerlaekens geeft een beeld van wat taalverwerving is, hoe dit taalverwervingsproces verloopt en wat mogelijke problemen kunnen zijn in het taalverwervingsproces. Dit kan een handleiding zijn voor iedereen die met kinderen werkt.
  6. Kindertaalverwerving: een handboek voor het Nederlands
    S. Gillis A.M. Schaerlaekens, januari 2000
    Het boek geeft een overzicht van de manier waarop kindertaalverwerving verloopt. Daarnaast worden verschillende facetten van deze taalverwerving thematisch uitgediept, telkens door een specialist op het betreffende gebied. Aan de orde komen onder andere methodologie van de kindertaalstudie, klankperceptie en klankproductie in het eerste levensjaar, fonologische ontwikkeling, lexicon en semantiek, grammaticale ontwikkeling en pragmatiek. Ook de tweedetaalverwerving en de taalpathologie komen aan bod.

Filipiak, P. (2021). De mondelinge taalontwikkeling van jonge kinderen -3-.
Geraadpleegd op 19-09-2021,
van https://wij-leren.nl/verwerving-zinsopbouw-woordopbouw.php

Gerelateerd

congres
Leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis
Leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis
Omgaan met leerlingen met TOS
Medilex Onderwijs 
Taal tips voor thuisonderwijs
Taaltips voor thuis.
Paul Filipiak
Ontwikkeling peuter
Peuters niet behandelen alsof het al echte leerlingen zijn.
Sieneke Goorhuis
Denkontwikkeling sociale en non verbale taalontwikkeling jonge kind
De mondelinge taalontwikkeling van jonge kinderen -1-
Paul Filipiak
Taalontwikkeling jonge kind fonologie en lexicaal begrip
De mondelinge taalontwikkeling van jonge kinderen -2-
Paul Filipiak
Taalontwikkeling
Taalontwikkeling: door taal worden kinderen mensen
Steven Pont
Taal bij het jonge kind
Taalontwikkeling bij het jonge kind
Sieneke Goorhuis
Taal en omgeving
Taal is niet los te verkrijgen
Sieneke Goorhuis
Taalachterstand
Taalachterstand
Sieneke Goorhuis
Tweetaligheid
Tweetaligheid is geen probleem
Sieneke Goorhuis
Ontwikkeling hersenen
Ontwikkeling hersenen
Sieneke Goorhuis
Rijk taalaanbod
Rijk taalaanbod door spel
Sieneke Goorhuis
Taalonderwijs aantrekkelijk en zinvol maken
Hoe kinderen taalonderwijs weer als aantrekkelijk en zinvol kunnen ervaren.
Dolf Janson
Interactief voorlezen
Interactief voorlezen onder de loep
Sieneke Goorhuis
tips voorlezen thuis
Voorleestips voor thuis
Lilian van der Bolt
taalonderwijs met rijke leeromgeving
Taalonderwijs vraagt een rijke leeromgeving
Dolf Janson
Het belang van vroege mondelinge taalvaardigheid
Al pratend wijs; het belang van een goede vroege mondelinge taalvaardigheid
Paul Filipiak
Uitdagend en functioneel taalonderwijs
Uitdagend en functioneel taalonderwijs
Machiel Karels
Doe maar Taal
Doe maar taal
Marleen Legemaat
Peuters en kleuters die net iets meer kunnen
Peuters en kleuters die nét iets meer kunnen
Annemarie Brouwer


Inschrijven nieuwsbrief

Inschrijven nieuwsbrief



Inschrijven nieuwsbrief

Didactische aanpak zwakke lezers in het basisonderwijs
Wat is de beste didactische aanpak voor zwakke lezers?
Verdiepingsopdrachten voor goede spellers in bovenbouw bo
Wat zijn effectieve verdiepingsopdrachten voor goede spellers?
Kleuters activiteiten vaardigheden leerkrachten
Kleuters die wel kunnen maar niet willen, hoe ga je daar mee om?
Spellingontwikkeling leerlingen groep drie open lettergrepen
Wanneer kun je het beste open lettergrepen lezen in groep 3?
Kleuters combinatieklas gezamenlijke instructie
Kleuters in een combinatieklas: gezamenlijke instructie of apart?
Cito-lvs woordenschattoetsen geschikt voor taalzwakke lln
Zijn de Cito-LVS woordenschattoetsen geschikt voor taalzwakke leerlingen?
Methoden interventies communicatie beroepspraktijk mbo
Hoe stimuleer je goede communicatievaardigheden in de mbo-beroepspraktijk?
Effecten van opschrijven van geleerde woorden in digitaal woordenboek
Is opschrijven van woorden in een digitaal woordenboek effectief?
Intake selectieprocedure NT1 en NT2
Hoe zorg je voor een passend taaltraject voor NT1 en NT2?
Kenmerken blended learning NT2- volwassenonderwijs
Welke kenmerken van blended learning zijn positief voor NT2 deelnemers?
Ouderbetrokkenheid VVE
Differentiatie in ouderbetrokkenheid in de voor- en vroegschoolse educatie
GAS methodiek
GAS geven: doelgericht werken aan taal en lezen in Passend Onderwijs
Animaties taal po
Gebruik van animaties bij taal in basisonderwijs
Leereffecten computerspel kleuters
Leereffecten computerspel voor rekenen bij kleuters
Schooltaal woordenschat po
Schooltaal en woordenschat in taalonderwijs op de basisschool
[extra-breed-algemeen-kolom2]



jonge kind
kleuter
ontwikkelingsgebieden
taalontwikkeling
taalontwikkelingsstoornis TOS
voor- en vroegschoolse educatie (VVE)
woordenschat

 

Mis geen bijdragen

Inschrijven nieuwsbrief

Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook Volg ons op instagram Volg ons op pinterest