Differentiëren binnen woordenschatonderwijs

Martie de Pater

Rekenspecialist en onderwijsadviseur bij De Pater Onderwijsadvies

  

  Geplaatst op 1 juni 2014

In dit artikel staan handvatten om tijdens de voorbereiding en uitvoering van je taal- en zaakvaklessen om te gaan met de verschillen in woordkennis tussen leerlingen.

In bijna alle taal- en zaakvakmethoden staan bij lesbeschrijvingen zogenoemde ‘doelwoorden’. Woorden die aandacht vragen omdat ze nieuw zijn voor de leerlingen of omdat ze belangrijk zijn voor het begrijpen van de les of tekst.

In de praktijk komt het voor dat de woorden te makkelijk lijken maar dat tijdens de les blijkt dat sommige leerlingen de woorden niet kennen. Het omgekeerde komt echter ook voor: tijdens de les blijken sommige leerlingen de doelwoorden al te kennen. Dan leren ze op dat gebied in die les eigenlijk niets nieuws.

Woordenschatonderwijs en het belang van differentiatie

Aandacht voor uitbreiding van de woordenschat is niet meer weg te denken uit de basisschool. Ook binnen de huidige methoden voor taal en zaakvakken is dit zichtbaar. Methodemakers hanteren hierbij in meer of mindere mate de didactiek van ‘de viertakt’. (Verhallen & Verhallen, 1994.)

Deze didactiek geeft aan dat je het best woorden leert wanneer deze in samenhang worden aangeboden en behandeld, door achtereenvolgens het zogenoemde ‘woordcluster’ voor te bewerken, te semantiseren, te consolideren en te controleren.

Brouwer (2011) beschrijft een aantal factoren die in veel taal- en zaakvakmethoden voorkomen en belemmerend zijn voor effectief woordenschatonderwijs. Eén van deze factoren is dat er in methoden onvoldoende rekening wordt gehouden met het feit dat ieder mens een persoonlijke woordenschat heeft. Een leerling die dicht bij de zee woont, zal eerder het woord ‘mosselbank’ kennen dan het woord ‘portiek’, terwijl voor een leerling uit Amsterdam het omgekeerde geldt.

Binnen woordenschatonderwijs zal je als leraar dus rekening moeten houden met de persoonlijke woordenschat van leerlingen.

Differentiëren is dan een logisch gevolg. We doen dit met name bij het selecteren en consolideren van woordclusters.

Differentiatie tijdens het selecteren van woorden

Leerlingen verschillen van elkaar in woordkennis. Maar wanneer kun je zeggen dat je een woord kent? Neem bijvoorbeeld de woorden taxi en verwarmingselement. Over een taxi kun je waarschijnlijk meer vertellen dan over een verwarmingselement. Je hebt daar ook meer associaties bij en kunt dit woord ook makkelijker toepassen in je taalgebruik.

Dit voorbeeld laat het onderscheid tussen brede en diepe woordenschatkennis zien. Brede woordkennis is het oppervlakkig kennen van woorden. Diepe woordenschatkennis heeft te maken met het leren leggen van betekenisrelaties tussen woorden en het opnemen in je taalproductie.

Hoe meer je weet over een woord, hoe meer betekenisrelaties je kent, hoe dieper de woordkennis.

Je kunt zicht krijgen op de overeenkomst tussen de persoonlijke woordenschat van leerlingen en de doelwoorden door die te inventariseren aan het begin van een blok. In de praktijk blijken leerlingen in de midden- en bovenbouw goed in staat aan te geven welke woorden zij al kennen. Dit kun je doen door voorafgaand aan een blok de doelwoorden op een rij te zetten.

Het is effectiever om dit per blok te doen omdat doelwoorden in methoden vaak weinig onderlinge samenhang vertonen. Vanuit deze woordenlijst kun je vervolgens woordclusters maken. Zo nodig kun je woordclusters aanvullen met zelf toegevoegde woorden. De leerlingen kunnen vervolgens per woord aangeven of ze het woord kennen, een beetje kennen of niet kennen. (Brouwer, 2009.)

Door per woord twee vragen te formuleren (één vraag gericht op brede en één vraag gericht op diepe woordkennis) kun je de beginsituatie van leerlingen nog preciezer in kaart brengen.

Differentiatie tijdens het consolideren

Vanuit deze beginsituatie kun je bepalen welke woordclusters de moeite waard zijn om klassikaal te semantiseren, bij welke leerlingen het accent op brede woordkennis en bij welke leerlingen het accent op diepe woordkennis moet komen te liggen tijdens het consolideren.

Daarna kun je gericht je consolideeractiviteiten kiezen. Een handig hulpmiddel hierbij is een matrix waarin je de consolideeractiviteiten die je voor handen hebt, ordent op breed en diep en eventueel ook nog op tijdsduur. Hieronder zie je een voorbeeldmatrix met consolideeractiviteiten.

Brede woordkennis
(5 minuten activiteit)
Diepe woordkennis
(5 minuten activiteit)
• Genoemd begrip aanwijzen bij een rij plaatjes, voorwerpen of gegeven omschrijving. • Gegeven begrip omschrijven in eigen woorden
• Een gatentekst waarbij de ontbrekende woorden moeten worden ingevuld. • Bij het doelwoord een tegenstelling bedenken
• In een zin het foute woord
doorstrepen (bijv. ‘De koning van Egypte heette de keizer/ farao’)
• Viervragenspel: d.m.v. van het stellen van vragen erachter komen welk woord de ander in zijn hoofd heeft. Je mag maximaal vier vragen stellen.
Brede woordkennis
(15 minuten activiteit)
Diepe woordkennis
(15 minuten activiteit)
• Lezen over het thema waarin bijbehorende
doelwoorden terugkomen.
• Welk Woord Weg: bij een viertal woorden beredeneren welk woord er niet bij hoort en waardoor niet.
• Woordendoos. Woorden die leerlingen tegenkomen en die ze niet kennen mogen in deze doos. Één keer per week worden deze woorden klassikaal besproken.
 
• Bedenk een situatie of voorbeeld
bij het doelwoord. (bijv. ‘hoe zou
een protest eruit zien?) Deel dit
daarna met je groepsgenoten en
kies met elkaar de beste uit.
 
• Woordenmemory. Zoek plaatje/
omschrijving en goede begrip bij
elkaar.
• Zoek bij wie je past. Je krijgt een kaartje met daarop een woord of een plaatje. Ga op zoek naar diegene die een woord of plaatje heeft dat bij het jouwe past. Leg aan elkaar uit waarom je bij elkaar past.

Je ziet dan in één oogopslag voor welke leerling welke consolideeractiviteit passend is. Je kunt dit dan per blok bepalen en inplannen. Op deze manier worden de woorden gedurende het gehele blok geconsolideerd en herhaald, en niet maar bij één of twee lessen.

Dat herhaling van belang is wordt zichtbaar door het volgende praktijkvoorbeeld: In de kleutergroep van Juf Wilma staat het thema ‘de herfst’ centraal. De leraar heeft voor de pauze onder andere het begrip mos aangeleerd in de kring. Na het buitenspelen komen de leerlingen weer binnen, waarbij één van de leerlingen op haar juf komt afgerend en roept: ‘’Juf! Er ligt allemaal mosterd op het plein!’’

Dit voorbeeld laat zien dat de leerling de pas aangeleerde betekenis buiten heeft herkend. Het nieuwe woord (mos) dat hierbij hoort is nog niet aan zijn actieve woordenschat heeft toegevoegd, doordat het nog teveel lijkt op een al bekend woord (mosterd). Tijdens het consolideren worden woorden herhaald en wordt de woordkennis uitgebreid en verdiept.

Conclusie

Differentiëren bij doelwoorden in taal- en zaakvakmethode begint met het vaststellen van de doelwoordenlijst en de beginsituatie van je groep. Op basis daarvan bepaal je in welke mate je leerlingen de woorden gaan leren kennen. Deze doelen helpen je vervolgens een keuze te maken uit het aanbod van consolideeractiviteiten.

Een werkwijze als in dit artikel beschreven, vraagt van een leraar om verder te kijken dan de losse woordenschatles en de genoemde doelwoorden. Het schuiven met en weglaten van woorden, het zelf toevoegen van woorden en het kiezen van passende consolideeractiviteiten doet een beroep op het leren gebruiken van een methode in plaats van de methode zijn geheel te blijven volgen.

Je zult niet meer alle genoemde doelwoorden behandelen en flexibeler omgaan met consolideeractiviteiten. Op deze manier doe je recht aan het verschil in woordkennis tussen leerlingen en het feit dat mensen het best nieuwe woorden leren door gebruik te maken van woordclusters.

Wanneer je ook bij woordenschat start met het meer doelgericht en gedifferentieerd werken, worden je leerlingen niet woordenrijk, maar woordenschatrijk!

Literatuur

Brouwer, T. (2009). Scoor een woord. JSW, 93 (1), 31-34.
Bouwer, T. (2011). Woordenschatonderwijs 2.0. Tijdschrift taal, 2 (4), 14-17.
Verhallen, M. & Verhallen, S. (1994). Woorden leren, woorden onderwijzen. Amersfoort: CPS.
Verhallen, M. & Verhallen, S. (2009). Meer en beter woorden leren.
Utrecht: Projectbureau Kwaliteit PO-Raad

Gerelateerd

Lespakket
Reserveer nu gratis de Tekendoos op infoteek.nl
Reserveer nu gratis de Tekendoos op infoteek.nl
Een leskist over het gevaarlijkste dier van Nederland!
infoTeek-Tekendozen 
Scholing
Word expert op gebied van taalonderwijs
Word expert op gebied van taalonderwijs
Taal is een van de basisvaardigheden. Word taalspecialist op school en professionaliseer jezelf.
oo.nl 
Congres
Omgaan met verschillen in de rekenles
Omgaan met verschillen in de rekenles
Aansluiten op de onderwijsbehoeften van je leerlingen
Medilex Onderwijs 
Lesprogramma
Samenhang in taalonderwijs
Samenhang in taalonderwijs
Taal, spelling en lezen leren moet anders. Nu kan het ook anders! Nieuw Nederlands Junior
Noordhoff 
Samenhang in taalonderwijsDifferentiatie
Differentiatie - omgaan met verschillen tussen leerlingen
Arja Kerpel
eigentijds woordenschatonderwijs met woordcirkel
Maak van de school een woordpaleis
Jos Cöp
Communicatief woordenschatonderwijs
Communicatief woordenschatonderwijs
Paul Filipiak
Tips voor differentiatie in woordenschatonderwijs
Differentiëren binnen woordenschatonderwijs
Martie de Pater
woordenschatonderwijs vernieuwen vraagt om leiderschap
Woordenschatonderwijs in de 21e eeuw: effectief en uitdagend (1)
Jos Cöp
Woordenschat uitbreiden
Woordenschat uitbreiden bij begrijpend lezen en bij de zaakvakken
Paul Filipiak
Eindtoets Engels
Niveau Engels meten in groep 8: gemotiveerd en effectief aan de slag
Eveline van Baalen
Effectief leren spellen
Hersenen en woorden in verbinding
Dolf Janson
Pictoverhalen lezen
Pictoverhalen: op weg naar leessucces
Marcel Schmeier
Tips woordenschat
Knikkers spelers en spel: tips voor woordenschatonderwijs.
Paul Filipiak
Grip op leesbegrip
Beter toetsen en evalueren van lezen met begrip
Karin van de Mortel
Tweetaligheid
Tweetaligheid is geen probleem
Sieneke Goorhuis
Taalachterstand
Taalachterstand
Sieneke Goorhuis
Rijk taalaanbod
Rijk taalaanbod door spel
Sieneke Goorhuis
Taal bij het jonge kind
Taalontwikkeling bij het jonge kind
Sieneke Goorhuis
Letters leren
Letters leren: vandaag in staat, een leven lang paraat
Ewald Vervaet
Woordenschat en ICT
Hoe ICT het woordenschatonderwijs kan verbeteren
Jos Cöp
Woordenschatlessen
Wat maakt woordenschatlessen effectiever?
Jos Cöp
Differentiatie voorbereiding
Differentiatie vraagt voorbereiding
Dolf Janson
Goed taal- en leesonderwijs
Vijf onderwijskundige voorwaarden voor goed taal- en leesonderwijs
Jos Cöp
Differentiatie adaptief onderwijs
Differentiatie: Wat werkt bij adaptief onderwijs?
Michel Verdoorn
Differentiatie proces
Differentiëren volgens drie cyclische processen
Michel Verdoorn
Differentiatie zelfregulatie (1)
Beter differentiëren dankzij zelfgereguleerd differentiëren
Michel Verdoorn
Taalontwikkeling
Taalontwikkeling: door taal worden kinderen mensen
Steven Pont
Taal en omgeving
Taal is niet los te verkrijgen
Sieneke Goorhuis
Woordenschat verbinden met taalbeschouwing
Woorden en betekenissen
Dolf Janson
Woorden kiezen
Het kiezen van woorden
Paul Filipiak
Woorden kiezen
Het kiezen van woorden
Paul Filipiak
kwaliteitskenmerken woordenschatonderwijs en didactiek
Woordselectie en woordenschatdidactiek -12-
Paul Filipiak
Langdurig contact met woorden deel 2
In langdurig contact met woorden - deel 2
Paul Filipiak


Inschrijven nieuwsbrief

Inschrijven nieuwsbrief



Inschrijven nieuwsbrief

Effecten van aanpakken voor een soepele overgang naar po
Vier jaar! Hoe stimuleer je een soepele overgang naar de basisschool?
Ouderversie van de SDQ geschikt om problemen te signaleren
Is de SDQ een betrouwbaar meetinstrument?
Effect van leesmethodes op leesvaardigheid
Welk effect hebben leesmethodes?
Onderwijsachterstanden en leervertraging door corona
Onderwijsachterstand of leervertraging? Welke term gebruik je wanneer?
Hulpstappen bij het spellen
Welke hulpstap is voor leerlingen effectief bij het leren spellen?
Effect van voorlezen in vreemde taal op taalvaardigheid
Wat is het effect van voorlezen in een vreemde taal?
Interventies versterken van motivatie volwassen NT2 deelnemers
Hoe versterk je online het actief leren van volwassen NT2-deelnemers?
Hoe bevorder je studievaardigheden en zelfsturing van laagopgeleide nt2 leerlingen?
Hoe bevorder je zelfsturing van laagopgeleide nt2-leerlingen?
Stimuleren van NT2 lezers, begrijpend lezen
Hoe stimuleer je begrijpend lezen bij NT2 leerlingen?
Effect modelleren leesstrategie hardop denken volwassenen
Hardop denken: goede strategie voor volwassen leerders?
Professionele leergemeenschappen
Professionele leergemeenschappen in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs: Effecten van wederzijdse afhankelijkheid o...
Opdrachtgestuurd leren
Differentiatie in de klas middels opdrachtgestuurd leren
Digitale leeskilometers groep 3
Leesvaardig door digitale leeskilometers in groep 3: Differentiatie door inzet van ICT
Techniek en vakmanschap
Differentiatie binnen beroepsgerichte lessen Techniek & Vakmanschap
GAS methodiek
GAS geven: doelgericht werken aan taal en lezen in Passend Onderwijs
[extra-breed-algemeen-kolom2]



convergente differentiatie
differentiatie
divergente differentiatie
IGDI-model
NT2
taalontwikkeling
woordenschat

 

Mis geen bijdragen

Inschrijven nieuwsbrief

Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook Volg ons op instagram Volg ons op pinterest