Leerlingen leren kennen: leefwereld - ontwikkelingspsychologie

Arja Kerpel

Redactielid wij-leren.nl l Projectleider bij Wij-spelen.nl

 

  Geplaatst op 1 juni 2014

Kerpel, A. (2014). Leerlingen leren kennen: leefwereld - ontwikkelingspsychologie.
Geraadpleegd op 12-12-2018,
van https://wij-leren.nl/leerlingen-leren-kennen.php

Elke klas bestaat uit veel verschillende kinderen. Een leerkracht moet zijn kinderen eerst leren kennen om goed onderwijs te kunnen geven. Het belangrijkste is dat hij van elke individuele leerling de beginsituatie kent. Om de beginsituatie te bepalen, is naast een onderzoekende houding ook kennis nodig. Kennis van de schoolsituatie en de groep, maar ook van de ontwikkeling van het kind. Het is van belang dat hij weet wat hun belevingswereld is en wat zich in hun leefwereld afspeelt.  De leefwereld en de belevingswereld van het kind zijn allebei van invloed op hun interesses. Daar kan de leerkracht dan de leeromgeving op aanpassen.

Als de leraar weet hoever het kind in zijn ontwikkeling is, dan kan hij ook onderzoeken wat de mogelijkheden van het kind zijn en dan kan hij toewerken naar een volgend niveau. De Russische psycholoog Vygotsky noemt dit het reiken naar de zone van naaste ontwikkeling. Het is van belang dat kinderen binnen de grenzen van hun mogelijkheden de ruimte krijgen om actief te leren, waarbij zij zelf keuzes maken en medeverantwoordelijk zijn voor het leerproces.
Dit artikel behandelt eerst de achtergronden die de leerkracht moet kennen, en daarna komen diverse manieren om de kinderen te leren kennen aan bod.

De leefwereld

Een leerkracht moet de leefwereld van zijn leerlingen leren kennen. Maar wat wordt daaronder verstaan? Onder de leefwereld vallen de etnische, sociale en culturele achtergronden van de kinderen:
  • Bij de etnische achtergrond gaat het om de bevolkingsgroep waar de leerling toe behoort, bijvoorbeeld bij de Marokkanen.
  • Bij de sociale achtergrond gaat het om de maatschappelijke groepering waaruit de leerling komt, bijvoorbeeld arbeiders of artsen. De meningen over de relatie tussen sociaal milieu en schoolsucces zijn verschillend.
Sommigen gaan ervan uit dat kinderen de intelligentie van hun natuurlijke ouders erven. Anderen leggen de oorzaak voor schoolsucces in de thuissituatie, bijvoorbeeld in de opleiding van de ouders. Weer anderen zien de oorzaak in het onvermogen van de school. In werkelijkheid is het een combinatie van aanleg en omgevingsfactoren, die elkaar wederzijds beïnvloeden.
  • Bij de culturele achtergrond gaat het om de normen, waarden en gebruiken waar de leerling van huis uit mee opgroeit. Als er een verschil is tussen de thuiscultuur en de schoolcultuur, dan kan dit problemen geven.
Het is dus belangrijk dat een leerkracht hier kennis van heeft, zodat hij goed kan afstemmen met de ouders. Want als de relatie tussen de school en de ouders goed is, dan heeft dat een positief effect op de ontwikkeling van het kind. Een vraag die de leerkracht hierbij kan stellen, is: Wat raakt deze kinderen en wat houdt hen bezig?

De belevingswereld

De manier waarop een kind de wereld beleeft, heet de belevingswereld. Dit is afhankelijk van zijn ontwikkelingsleeftijd. Een kleuter kijkt anders tegen de wereld aan dan een kind van twaalf.
Vierjarigen hebben vaak veel vertrouwen in ouders en verzorgers en leven in een vrij beperkte en relatief veilige leefomgeving. Dat geeft hun het vertrouwen om spelend en ontdekkend te leren. Ze zijn nog erg gevoelig voor prikkels van buitenaf en hebben veel fantasie. Ook kennen ze aan levenloze dingen vaak een ziel toe, dat heet animisme. Ze willen graag alles zelf ontdekken en gebruik daarbij al hun zintuigen. Ze zijn niet erg taakgericht ingesteld, maar willen gelijk resultaat. Zij zijn nog wel erg egocentrisch ingesteld. Bij het spelen is het rollenspel favoriet. Vaak spelen ze rollen die in hun directe omgeving voorkomen.
 
Bij vijf- tot achtjarigen breidt de ervaringswereld zich uit en komt er meer orde en structuur in. Zij kunnen fantasie en werkelijkheid goed scheiden. Ze verkennen de wereld door vragen te stellen, waarbij achtjarigen meer naar oorzaken vragen dan vijfjarigen. Op deze leeftijd hebben de kinderen ook meer belangstelling voor constructiemateriaal, zoals Lego.
 
Bij acht- tot twaalfjarigen staat de realiteit centraal. Ze willen verdieping in veel onderwerpen. Op deze leeftijd krijgen kinderen ook meer inzicht in sociale relaties en spelen ze meer groepsspelen. Tot op zekere hoogte zijn de kinderen in staat om abstract te redeneren. Acht- tot twaalfjarigen krijgen meer een eigen mening en laten zich minder leiden door de waarden en normen van ouders en leraren. Wat leeftijdsgenoten vinden, wordt steeds belangrijker. Bij meisjes treden ook de eerste lichamelijke veranderingen op.

Jongens en meisjes

Naast de belevingswereld is het goed als de leerkracht kennis heeft van de verschillen tussen jongens en meisjes. Het is aangetoond dat sekseverschillen doorwerken in de interesses. Jongens hebben voorkeur voor auto’s, computers en techniek, terwijl meisjes liever met poppen of in de huishoek spelen. Jongens zijn in het algemeen beter in ruimtelijk inzicht, terwijl meisjes doorgaans verbaal iets sterker zijn.

Ontwikkelingspsychologie

Het is belangrijk dat de leerkracht kennis heeft van het groei- en leerproces van kinderen. Inzichten uit de ontwikkelingspsychologie kunnen daarbij helpen. De ontwikkelingspsychologie is zelf ook nog volop aan het ontwikkelen. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen de klassieke ontwikkelingspsychologie en de levenslooppsychologie. Eerstgenoemde beschrijft de ontwikkeling van het kind aan de hand van min of meer vaststaande fasen. De levenslooppsychologie geeft meer ruimte aan de dynamische invloeden van de omgeving en is terughoudend als het gaat om vaste kenmerken per leeftijd.
 
Er zijn drie verschillende ontwikkelingsgebieden:
  • Lichamelijk. De motoriek valt hieronder.
  • Cognitief. Hierbij horen het denken en waarnemen, de intelligentie, fantasie en het geheugen.
  • Psychosociaal. Dit is de morele en sociale ontwikkeling en de vorming van de identiteit en persoonlijkheid.

Bepalen van de beginsituatie

Er zijn dus verschillende facetten die meespelen bij de beginsituatie. Maar: hoe kan de leerkracht nu snel en adequaat de beginsituatie vaststellen? Daar zijn verschillende manieren voor: het gesprek, observatie, onderzoek door middel van experiment, sociogram, toetsen en testen en tenslotte video-interactie. Deze manieren zullen één voor één behandeld worden.

1. Het gesprek

Het gesprek is de meest open en directe manier om informatie te verzamelen. De houding van de leerkracht is heel belangrijk voor het verloop van het gesprek. Hij moet zich empatisch opstellen en het kind accepteren zoals het is. Enkele algemene tips:
  • Zet vooraf op papier wat je wilt weten en leg de resultaten zorgvuldig vast.
  • Begin het gesprek met een introductie, zodat de leerling op zijn gemak wordt gesteld en weet wat het doel van het gesprek is.
  • Stel geen suggestieve vragen.
  • Geef aan het einde ruimte voor opmerkingen of aanvullingen.

2. Observatie

Tijdens het werken ziet en hoort een leerkracht van alles. Als hij doelgericht op een bepaald aspect van een kind gaat letten, dan ben je aan het observeren. De bevindingen worden genoteerd. Bij observeren is het belangrijk dat dit zo objectief mogelijk gebeurt. Dat houdt in dat de leerkracht alleen beschrijft wat hij ziet en er geen interpretatie aan verbindt.

3. Onderzoek door middel van experiment

Als de leerkracht specifiek gedrag wil onderzoeken, dan kan hij een situatie inrichten die het gedrag van het kind oproept. Via een of meer opdrachten nodigt hij de leerling uit om dingen te doen. Daardoor krijgt de leerkracht in korte tijd redelijk inzicht in het gedrag. Om de betrouwbaarheid van de informatie te vergroten, moet de opdracht nieuw zijn voor een kind. Ook moet de gecreëerde situatie zo natuurlijk mogelijk zijn.

4. Sociogram

Door een sociogram krijgt de leerkracht inzicht in de onderlinge relaties en de positie van het kind in de groep. De vraagstelling die de leerkracht voorlegt aan zijn leerlingen, hangt af van het doel. Wil de leerkracht weten hoe de relaties in de klas zijn op basis van vriendschap, dan kan de vraag zijn: Met welke twee kinderen speel je het liefst samen op school? Als de leerkracht wil weten hoe de relaties in de klas zijn op basis van samenwerking, dan kan de vraag zijn: Met welke twee kinderen maak je het liefst samen een taak? Als de uitkomsten verwerkt worden in een tabel (sociomatrijs) of een grafische weergave (sociogram) dan wordt duidelijk welke kinderen vaak ingevuld zijn of juist niet.
 
Omdat het sociogram een momentopname is, is het goed om het meerdere keren per jaar in te vullen, zodat het beeld betrouwbaar wordt. 
Het is belangrijk dat de leerkracht ook daadwerkelijk iets doet met negatieve uitkomsten. Daarbij kan hij zichzelf de vraag stellen: welke groepsvormen, opdrachten en begeleiding kan ik inzetten om het patroon te veranderen?

5. Toetsen en testen

Om te kijken hoe leerlingen er op dit moment voor staan, kunnen toetsen afgenomen worden. Er zijn verschillende soorten toetsen: schoolvorderingstoetsen (bijvoorbeeld DLE), leesvoorwaardentoetsen, functietesten, intelligentietesten en persoonlijkheidstesten.

6. Video-interactie

Een leerkracht kan ook video-opnames maken van de onderwijsactiviteiten. Aan de hand daarvan kan het gedrag van leerlingen en van de leerkracht zelf geobserveerd worden. Naderhand kan de leerkracht de video analyseren en verbeterpunten opstellen.
 
Op deze zes manieren kan de leerkracht zijn leerlingen beter leren kennen. Afhankelijk van wat de leerkracht wil weten, kan hij kiezen voor een bepaalde aanpak.  De bovenstaande manieren zijn allemaal formele manieren om de leerlingen te leren kennen. Maar daarnaast zijn er natuurlijk de informele gesprekken met kinderen, die ook een belangrijke informatiebron zijn. Juist die gesprekken geven de leerkracht de kans om een goede relatie met de kinderen op te bouwen. Dat is onmisbaar als hij zijn leerlingen goed wil begeleiden en stimuleren in hun ontwikkeling.

Literatuur

Alkema, E. e.a. (2011) Meer dan onderwijs, Assen: Uitgeverij Van Gorcum
Beemen, L. van (2006) Ontwikkelingspsychologie, Groningen: Wolters-Noordhoff.
Heijkant, C. van den e.a. (2003) School Video Interactie Begeleiding. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
Hoogeveen, P., Winkels  J. (2011) Het didactisch werkvormenboek, Variatie en differentiatie in de praktijk, Assen: Van Gorcum.
Hooijmaaijers, T. e.a. (2009) Ontwikkelingspsychologie voor leerkrachten basisonderwijs, Assen: Van Gorcum. 
Kohnstamm, R. (2002) Kleine ontwikkelingspsychologie, Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum
Mönks, F.J., Knoers, A.M.P. (2009) Ontwikkelingspsychologie. Inleiding tot de verschillende deelgebieden. Assen: Van Gorcum.
Stevens, L. (1997) Overdenken en doen, Den Haag: PMPO .

Kerpel, A. (2014). Leerlingen leren kennen: leefwereld - ontwikkelingspsychologie.
Geraadpleegd op 12-12-2018,
van https://wij-leren.nl/leerlingen-leren-kennen.php

Gerelateerd

Volgen van de ontwikkeling
Volgen van ontwikkeling: evalueren - normeren - LVS - rapportage
Arja Kerpel
Ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologie - psychologische ontwikkeling kinderen
Arja Kerpel
Kindgericht onderwijs
Van jaarklassensysteem naar kindgericht onderwijs
Machiel Karels
Leren van fouten
Van je eigen fouten leer je het meest?
Casper Hulshof
Observeren
Observeren - de onderzoekende leraar
Dolf Janson
Sociogram
Sociogram: inzicht in sociale relaties en tips voor de leerkracht
Arja Kerpel
Schooladvies
Schooladvies zonder Cito toets - hoe gaat dat?
Marjolein Zwik
Luisteren naar leerlingen
De Leerlingluisteraar is harthorend
Harry van de Pol
Hakken in het zand
Hakken in het zand. Niet touwtrekken met pubers
Ivo Mijland
Vragen stellen
Leerlingen zelf vragen laten stellen
Dolf Janson
Vanzelfsprekende relatie
Zonder relatie, geen prestatie. Over Pedagogische Tact, Perspectief nemen en Leren van de toekomst’
Marcel van Herpen
Ontwikkeling jonge kind
Naar school - Psychologie van 3 tot 8 jaar
Arja Kerpel
Luister je wel naar míj?
Luister je wel naar míj? - Tips voor gespreksvoering met kinderen
Arja Kerpel
Lef om te luisteren
Lef om te luisteren - Hoe luister je nu echt naar leerlingen?
Arja Kerpel
Lef om te luisteren
Lef om te luisteren - Hoe luister je nu echt naar leerlingen?
Arja Kerpel










Aandeel lln met disharmonisch IQ profiel
Wat zegt een disharmonisch intelligentieprofiel over de vervolgopleiding?
Stoeien goed voor ontwikkeling?
Heeft stoeien op school altijd een positief effect op kinderen?
Kenmerken van de mbo-populatie
Wat zijn kenmerken van mbo-studenten?
Kritisch denkvermogen stimuleren
Hoe stimuleer je kritisch denkvermogen?
Verschil unitonderwijs en klassikaal onderwijs
Unitonderwijs versus klassikaal onderwijs
Creativiteitsontwikkeling
Welke factoren geven inzicht in de ontwikkeling van het creatief denken van leerlingen?
Tweelingen
Wat is beter voor tweelingen: in verschillende klassen of bij elkaar?
Strategieën voor zelfregulering
Hoe kunnen leerlingen de regie over hun eigen leerproces voeren?
IMPROVE methode metadenken
De metadenkende leerling: effecten van de IMPROVE-methode
Zelfgestuurd leren
Reviewstudie: metacognitie en zelfgestuurd leren
Metacognitie VWO leerlingen
Hoogbegaafdheid en metacognitie van VWO-leerlingen - OnderwijsBewijs
[extra-breed-algemeen-kolom2]




Leerlingen leren kennen



Inschrijven nieuwsbrief



Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.