Woorden leren in de zaakvakken - deel 3

  Geplaatst op 26 maart 2022

In een viertal delen van het artikel Woorden leren in de zaakvakken wordt het leren van woorden in de zaakvakken besproken. In het eerste deel werd besproken wat goed zaakvakonderwijs inhoudt en werd de werkwijze ‘Zesstappenaanpak’ voor het aanleren van zaakvakwoorden besproken. In het tweede deel werd ingegaan op drie andere werkwijzen voor het aanleren van zaakvakwoorden en waarom woordenboeken gebruikt moeten worden in het zaakvakonderwijs. In dit derde deel ligt de focus op het werken met woordenboeken.

Werken met woordenboeken

Het kunnen werken met woordenboeken bij de zaakvakken verdient aparte aandacht. Er zijn enkele stappen te onderscheiden: het leren van het alfabet en het vinden van woorden onder de juiste letter. Verder het gebruik van gidswoorden en het leren omgaan met een definitie. Dan het leren gebruiken van een woordenboekuitleg, het maken van een groepswoordenboek en het kiezen uit meerdere betekenissen door een extra check. En tot slot de toepassing van de gevonden betekenis. 

Leren van het alfabet en het vinden van het woord onder de juiste letter

Begin de kennismaking met een woordenboek in de school door leerlingen op jonge leeftijd een eigen beeldwoordenboek te laten maken met plaatjes uit tijdschriften, die ze in de volgorde van het alfabet plakken onder de juiste beginletter. Wanneer ze al kunnen schrijven, schrijven ze het woord eronder met de juiste spelling. Dan wordt het ook hun  spellingwoordenboek. Aandachtspunten: spreek het formaat van het beeldwoordenboek af en de grootte van de uit te knippen plaatjes. Laat leerlingen in tweetallen werken aan hun eigen beeldwoordenboek. Ze helpen elkaar. 

Leren gebruiken van gidswoorden 

De leerlingen leren nu om woorden in woordenboeken te zoeken aan de hand van gidswoorden. Bij welke letters en welk woord kun je het woord project vinden?

  • papier
  • professor
  • project
  • propje

Leerlingen moeten leren of ze op de tweede, derde of volgende letter moeten letten. Gebruik daarbij echte woordenboeken en geen werkbladen. 

Van grafische schema's naar definities 

Woordenschatdeskundigen Camille Blachowitz en Peter Fisher (2010) vertellen over het leren gebruiken van woordenboeken en verbinden dit aan het begrijpen van een definitie. Definities zijn het meest functioneel bij het leren van woordgroep-drie-woorden, bij de zaakvakken. Daar gaat het immers om het nauwkeurige begripsleren in het kader van kennisverwerving. 

Leerlingen moeten eerst het typerende van een woordenboekdefinitie leren. Dit start aan de hand van de betekenisaspecten van een eenvoudig begrip: een boom behoort tot de categorie planten. Het heeft een bast en takken. Dit moet je onderscheiden van een struik. Daarbij gebruik je een grafisch schema voor het ordenen van die begripsaspecten zoals de bast, de takken, de wortels, de bladeren. Introduceer dus bij de leerlingen het idee van een grafische rubricering van kenmerken, met een bekend en gemakkelijk begrip als boom. Om daarna aan de slag te gaan met moeilijkere en abstractere begrippen. Zo gaat het verder:

  • Laat leerlingen het gekozen grafische schema van de betekenisaspecten van het begrip afmaken eventueel al pratend en lezend met elkaar en wissel in de klas de vondsten uit. 
  • Leg de aard van het grafische schema uit en breng het in verband met een te maken definitie.
  • Laat hardopdenkend horen hoe je van het grafische schema een definitie bedenkt. Laat leerlingen ook al pratend een definitie bedenken en wissel die uit. Kies voor de beste definitie die bij het grafisch schema past.
  • Bespreek wat je nu al meer weet van het begrip dan bij de start en of je nog meer wilt weten.
  • Vergelijk de gemaakte definitie met de definitie in het woordenboek.
  • Lees een stuk tekst met een moeilijk woordgroep-drie-woord, een zaakvakbegrip, zoals magnetisme waarvan de leerlingen de definitie in een woordenboek opzoeken.
  • Denk hardop over hoe je de definitie uit het woordenboek gebruikt om het woord in de leertekst te begrijpen. 

Leer leerlingen dus eerst het karakter van definities kennen, zodat ze die beter kunnen hanteren bij woordenboeken en daardoor een dieper inzicht krijgen in het karakter van zaakvakbegrippen. 

Woordmap en Begripsladder

Voor grafische schema's die uitmonden in een definitie, kies je voor een Woordmap (jonge leerlingen) of een Begripstrap (oudere leerlingen en moeilijkere begrippen) als grafische schema's. En je gebruikt daarbij niet alleen een eenvoudig begrip als boom, maar daarna vooral zaakvakwoorden uit woordgroep-drie. Leerlingen vergelijken daarbij wat ze weten over een woord met wat nog nodig is om het begrip helemaal te kennen. En om te bepalen of ze een woordenboek moeten gebruiken. 

Woordmap voor het maken van een definitie

Definitie: boos is ongeveer hetzelfde als kwaad en het is 'niet blij'. Wanneer ik een doelpunt maakt ben ik blij, maar als ik mis is mijn vader boos. 

Begripsladder voor het maken van een definitie

Het woord Diamant
Hoe is het ontstaan?  
Waar is het een deel van?  
Het is een soort van. . . .  Edelsteen
Waar vind je het? IndiaBraziliëZuid-Afrika
Waar bestaat het uit? Een vorm van koolstof
Wat wordt er van gemaakt? Juwelen, boren
Waarvoor wordt het gebruikt? Voor slijpen, boren, snijden en polijsten 
Waar komt het woord vandaan? Griekse adamas, 'ontembaar' of 'onoverwinnelijk', verwijzend naar de hardheid.
 
Definitie: diamant is een verschijningsvorm van koolstof. Het wordt gebruikt voor boren en ook in juwelen. Het wordt ook gevonden in Zuid-Afrika en het woord komt van het Griekse adamas. Dat betekent onoverwinnelijk. De leerlingen kunnen na het gebruik van een fysiek woordenboek ook Wikipedia gebruiken om begripsladders bij woordgroep-drie-woorden te maken. Daarbij kom je er ook achter wat je nog niet weet. Hoe is diamant ontstaan? Waar is het een deel van? 

Voor meer informatie over grafische modellen, vooral bruikbaar in het zaakvakonderwijs, zie: 'Op Woordenjacht', bladzijde 53-77 (Duerings, J. 2011). Gebruik die vooral in het zaakvakonderwijs. 

Leren gebruiken van een definitie

Vaak worden leerlingen in een woordenboek op het verkeerde been gezet. Ze moeten dus flexibele manieren leren om de uitleg in een woordenboek te kunnen gebruiken. Dit kan het best geleerd worden door tweetallen te laten praten en discussiëren over de uitleg van een woord in het woordenboek. Het kan ook in een kringspel: de eerste leerling noemt het woord ridder. Het volgende kind voorspelt een woord dat in de definitie van ridder zal staan: kasteel. Iedereen komt aan de beurt en bedenkt een woord voor de definitie. Ze worden op het bord geschreven. Vervolgens mag het kind dat het woord ridder voorstelde het woord in het woordenboek opzoeken en de definitie voorlezen. Leerlingen die een woord noemden dat in de definitie staat krijgen een punt. Zo kan de beurt in de kring rondgaan. Als je al bekend bent met coöperatieve werkvormen, gebruik je een werkvorm als 'Gedachtenkrabbels' en 'Maak een schema'. 

Leren omgaan met een woordenboekuitleg

Elke leerling heeft een kopie van een bladzijde uit het woordenboek. Het woord is priem. Je geeft de uitleg bij het woord dat je hebt gevonden in het woordenboek: de betekenis, de uitspraak, de definitie, de voorbeeldzin, enzovoorts; dit afhankelijk van het gebruikte woordenboek. De leerlingen schrijven op wat ze van je horen en zoeken vervolgens zelf het woord priem op. Dan gaan ze zelf in tweetallen de uitleg bij het woord priem inventariseren en de uitleg vergelijken met je vondsten. Ook leren ze de terminologie van de uitleg in het woordenboek: de betekenis, de definitie, de uitspraak, de spelling. 

Het maken van een groepswoordenboek

Verdeel de klas in groepen. Elke groep is verantwoordelijk voor de toevoeging van één zaakvakbegrip per week. 

De groep gaat in bespreking en kiest snel het woord van de instructie of uit een gelezen tekst. De groep schrijft een definitie van het woord op een kaart, met daarnaast de definitie uit het woordenboek en aanvullende informatie van Wikipedia. De groep presenteert aan de klas het woord met de definitie. Na twee of drie weken, voegen individuele leerlingen zaakvakbegrippen met een definitie toe aan het klaswoordenboek en presenteren die aan hun groepje. Ook kan worden gewerkt met vier groepswoordenboeken, waarbij leerlingen woorden uitwisselen uit hun groepswoordenboeken. 

Kiezen tussen meerdere betekenissen met een extra check

De leerlingen schrijven de zin op met het onbekende woord.  De wedstrijd culmineerde in een prachtige tweede helft. 
Ze schrijven het woord op en voorspellen wat van de betekenis.  Ik denk dat culmineren te maken heeft met eindigen. 
Ze schrijven een eigen zin met het woord op. Ze wisselen hun zinnen uit.  Ik schreef de volgende zin: de bergbeklimmer culmineerde boven op de berg. 
Ze checken de uitleg in het woordenboek en schrijven de uitleg op, bijvoorbeeld de definitie. In het woordenboek staat in de definitie: het hoogtepunt bereiken. 
De eigen zinnen en de definitie worden besproken.  Ik checkte het in een ander woordenboek: het mooiste moment. 
Ze verbeteren de eigen zin op grond van de uitleg in het woordenboek. Ze wisselen dit uit.  Ik verbeterde mijn zin: de beklimming van de berg culmineerde in een mooi einde.

Deze activiteit kan schriftelijk, maar ook mondeling in tweetallen worden gedaan. Het kan met enkele (zaakvak)begrippen uit een zaakvaktekst waaruit leerlingen moeten leren. 

Tips voor het verdere gebruik van woordenboeken 

  • Raad de betekenis van het woord met behulp van zinnen uit de tekst en beslis of het woord moet worden opgezocht. Leerlingen die woordenboeken bij het lezen van verhalende teksten gebruikten, deden overigens tweemaal zo lang over het lezen als leerlingen die dat niet deden. Voor goede taalgebruikers is frequent woordenboekgebruik dus niet altijd effectief. Laat het vaker gebruiken bij woordgroep-drie-woorden. 
  • Kijk of de gevonden betekenis of omschrijving in de tekst past. Dit kan worden getoetst door leerlingen de zin met de gevonden betekenis van het moeilijke woord in eigen woorden te laten zeggen. Laat het in tweetallen doen.
  • Zoek ook de woordfamilie (boer, boerenzoon, boerin, boerderij) en de woordcombinaties (iets duidelijk maken, geld besteden) van het woord en laat het in een grammaticaal goede zin gebruiken en wissel het uit.
  • Zoek uit of er gebruiksbeperkingen van het woord zijn (het woordregister: wat kun je wel en niet afvlaggen?).
  • Controleer de spelling bij het schrijven en de uitspraak bij het spreken. 

Gerelateerd

Lesprogramma
Elke dag lezen met begrip én plezier
Elke dag lezen met begrip én plezier
Duik samen met leerlingen in de wereld van het lezen! De complete methode: Nieuw Nederlands Junior Lezen
Noordhoff 
Congres
Kleutertaal
Kleutertaal
Taalontwikkeling en -stimulering in groep 1 en 2
Medilex Onderwijs 
Samenhang in taalonderwijsKindgericht taalonderwijs
Taalonderwijs integreren in zaakvakken, hoe doe je dat?
Paul Filipiak
Communicatief zaakvakonderwijs
Communicatief zaakvakonderwijs
Paul Filipiak
eigentijds woordenschatonderwijs met woordcirkel
Maak van de school een woordpaleis
Jos Cöp
Taalgericht zaakvakonderwijs (3): lezen van teksten in zaakvakken
Taalgericht zaakvakonderwijs (3): Lezen van teksten in zaakvakken
Paul Filipiak
Woordenschat uitbreiden
Woordenschat uitbreiden bij begrijpend lezen en bij de zaakvakken
Paul Filipiak
Taalgericht zaakvakonderwijs (2): Woordenschat en begrippen
Taalgericht zaakvakonderwijs (2): Woordenschat en begrippen
Paul Filipiak
woordenschatonderwijs vernieuwen vraagt om leiderschap
Woordenschatonderwijs in de 21e eeuw: effectief en uitdagend (1)
Jos Cöp
Woorden in de klas
Woorden in de klas -1-
Paul Filipiak
Schrijven en lezen
Lezenderwijs leren schrijven, en andersom
René Leverink
leesonderwijs, hoe anders
Leesonderwijs: wat is er mis en hoe kan het anders?
Jos Cöp
Kennisgericht woorden leren
Kennisgericht woorden leren -9-
Paul Filipiak
Leesonderwijs anders inrichten
Moeten we ons leesonderwijs anders gaan inrichten?
Jos Cöp
Cooperatief leren in leesonderwijs
Gebruik het ook in je leesonderwijs!
Paul Filipiak
lezen met denkstrategieën
Lezen met denkstrategieën
Paul Filipiak
Langdurig contact met woorden
In langdurig contact met woorden - deel 1
Paul Filipiak
Langdurig contact met woorden deel 2
In langdurig contact met woorden - deel 2
Paul Filipiak


Inschrijven nieuwsbrief

Inschrijven nieuwsbrief



Inschrijven nieuwsbrief

Effecten van aanpakken voor een soepele overgang naar po
Vier jaar! Hoe stimuleer je een soepele overgang naar de basisschool?
Effect van leesmethodes op leesvaardigheid
Welk effect hebben leesmethodes?
Klassenverkleining in het vo
Wat zijn effecten van klassenverkleining in het voortgezet onderwijs?
Hulpstappen bij het spellen
Welke hulpstap is voor leerlingen effectief bij het leren spellen?
Interventies versterken van motivatie volwassen NT2 deelnemers
Hoe versterk je online het actief leren van volwassen NT2-deelnemers?
Hoe bevorder je studievaardigheden en zelfsturing van laagopgeleide nt2 leerlingen?
Hoe bevorder je zelfsturing van laagopgeleide nt2-leerlingen?
Bewegend leren en spelling
Is bewegend leren effectief bij spelling?
Effect modelleren leesstrategie hardop denken volwassenen
Hardop denken: goede strategie voor volwassen leerders?
Uitgangspunten kenmerken leeromgeving niveau twee f
Hoe help je mensen naar niveau 2f van de Nederlandse taal?
Didactische aanpak zwakke lezers in het basisonderwijs
Wat is de beste didactische aanpak voor zwakke lezers?
GAS methodiek
GAS geven: doelgericht werken aan taal en lezen in Passend Onderwijs
Leren van teksten
Zelftoetsen voor het effectiever leren van teksten
Animaties taal po
Gebruik van animaties bij taal in basisonderwijs
Schooltaal woordenschat po
Schooltaal en woordenschat in taalonderwijs op de basisschool
Taalonderwijs BBL
Taalonderwijs in BBL-trajecten MBO
[extra-breed-algemeen-kolom2]




Zaakvakwoorden woordenboeken

Inschrijven nieuwsbrief


didactiek
taalontwikkeling
woordenschat
zaakvakken

 

Mis geen bijdragen

Inschrijven nieuwsbrief

Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook Volg ons op instagram Volg ons op pinterest