Faalangst - Tips voor de leerkracht

Anton Horeweg

Leerkracht, gedragsspecialist (master SEN) en trainer/coach bij Gedragsproblemenindeklas.nl

  

meesgroep8@hotmail.com

  Geplaatst op 18 mei 2017

Horeweg, A. (2017). Faalangst, tips voor de leerkracht.
Geraadpleegd op 17-10-2017,
van https://wij-leren.nl/tips-gedragsproblemenindeklas-faalangst.php

Letterlijk is faalangst de angst om te falen. Het kind is bang fouten te maken en niet aan de verwachtingen te voldoen. Eigenlijk komt dat door gedachten die zich vooraf in het kinderhoofd nestelen. Dat kunnen gedachten zijn als ‘Het zal wel niet gaan lukken, ik kan dit nooit, ik krijg vast een black-out.’

We spreken van faalangst – in onderscheid van algemene angsten- als het gaat om angst voor een bepaalde taak, iets wat van je wordt verwacht en waar een beoordeling op volgt. Voorbeelden zijn proefwerken op school, spreekbeurten, of het stellen van een vraag aan de leerkracht tijdens de les. Door de angst presteert het kind vaak onder zijn of haar niveau. Voorafgaand aan de ‘taak’ kan het kind ook vreselijk opzien en angst hebben.

Wat kun je in het algemeen doen om faalangst te voorkomen of te verminderen?

  • Bekijk je eigen leerkrachtgedrag. Wakker je onbewust en onbedoeld faalangst aan? Gebruik de checklist onderaan dit artikel.
  • Maak in je klas duidelijk dat fouten maken mag en dat niemand zijn leven foutloos doorbrengt.
  • Bespreek in je groep hoe er met fouten van jezelf en anderen moet worden omgegaan.
  • Bespreek faalangst eens met je groep.
  • Bespreek als leerkracht eens iets wat je zelf fout hebt gedaan; hoe dat voelde en hoe je dat oploste.
  • Laat overduidelijk merken dat “meetellen” niet afhangt van je hoge prestaties.
  • Geef positieve kritiek bij het werk. Schrijf het er ook onder. Kinderen ervaren dat als “echter.” Bovendien kunnen ze het nog eens teruglezen.
  • Grijp alle momenten aan om positieve opmerkingen te maken, ook al vind je de handelingen vanzelfsprekend. “Jullie hebben elkaar prima geholpen!” “Jullie werkten goed stil, zodat iedereen geconcentreerd kon werken, goed zo!” Deze vorm van feedback heet positieve, taakgerichte feedback. Kinderen hebben hier veel behoefte aan. Het stelt ze gerust: ze doen het goed.
  • Vergeet echter de positieve persoonsgerichte feedback niet. Daarmee laat je kinderen weten dat ze ertoe doen, hoe ze ook presteren. “Fijn dat je er bent, kom snel zitten.”  “Wat ben je toch een grote hulp hè?”

Wat kun je doen als een kind in je klas faalangst heeft?

  • Neem eventueel de School Vragen Lijst (SVL) af. Er is een versie voor de bovenbouw van de basisschool. De test kan je vermoeden verkregen uit observaties bevestigen.
  • Voor meer informatie kun je ook de Prestatie Motivatie Test voor kinderen (PMT-k) afnemen. Geschikt voor kinderen vanaf 10 jaar.
  • Ga in gesprek met het kind om te kijken hoe het kind reageert op stressvolle taken. Via een zogenaamde schrijfopdracht kun je te weten komen waar het kind moeite mee heeft en hoe het daarop reageert.
  • Naast de schrijfopdracht is een gesprek met open vragen heel handig. Zie het kader in dit artikel.
  • Leg uit aan het kind dat ook anderen faalangst ervaren. Vaak denken deze kinderen dat zij de enigen zijn.
  • Ga ook in gesprek met de ouders. Wat merken zij thuis? Hoe reageren zij? Wat voor eisen stellen zij? Enz.
  • Houd in je klas eens een algemeen gesprek over faalangst.
  • Geef de kinderen met faalangst meer tijd voor toetsen, e.d. Zo neem je alvast één stressfactor weg.
  • Geef een kind met faalangst geen beurt voor het bord, zelfs niet als je zeker weet dat hij het antwoord weet. Het kind zal vermoedelijk dichtklappen.
  • Als het kind toch een beurt moet krijgen, laat het dan gewoon op zijn plaats zitten.
  • Als het kind het antwoord niet weet, laat hem dan niet “helpen” door een ander kind. Vereenvoudig de vraag door bijvoorbeeld twee antwoordalternatieven te bieden. “Is het rood of is het groen?” Als het kind tóch nog het verkeerde antwoord kiest, kun je nog zeggen “Je bedoelde rood hè? Goed zo.”
  • Geef geen onuitvoerbare opdrachten. “Doe je best!” is er zo één. Het kind zal zich gaan afvragen wanneer het nu eigenlijk zijn best doet.
  • Als je merkt dat het kind irreële eisen stelt aan zichzelf, probeer dan samen reële eisen af te spreken. In plaats van ik moet een 9 voor mijn toets halen, ik moet een voldoende voor mijn toets halen.
  • Als de faalangst heel erg is, is het raadzaam om het kind een cursus omgaan met faalangst te laten volgen. Ga hierover in gesprek met IB-er en ouders. Zij kunnen het kind eventueel via SMW opgeven voor een cursus.

Voorbeeldvragen gesprek over faalangst​

Geef vooraf het doel van het gesprek aan.
Bijvoorbeeld: Ik wil eens samen met je praten, omdat ik denk dat je je soms erg zenuwachtig maakt voor een repetitie. Klopt dat? Of heb ik dat helemaal mis?
Ik wil daar met je over praten, omdat ik misschien samen met jou kan zorgen dat je je minder zorgen maakt.
 
Je kunt ook het kind iets vertellen over faalangst. Vertel daarbij dat het vaak voorkomt, deze kinderen denken vaak dat zij de enigen zijn die dit hebben.
Vertel dat alles wat hier besproken wordt, tussen jullie blijft. Als het wel verder verteld moet worden, bijvoorbeeld aan ouders of IB-er, vraag je eerst aan het kind of dat goed is. Als het kind dat weigert, moet je daar eerst eens over praten. Waarom wil het kind niet dat zijn ouders het weten?

Mogelijke vragen:

  • Wanneer voel jij je zenuwachtig op school?
  • Zouden anderen dat aan je kunnen merken? Zo ja, hoe dan? 
  • Waar ben je dan bezorgd over? Wat denk je?
  • Wat denken anderen denk je? Wat doe je dan?
  • Als je een goed cijfer haalt, hoe komt dat dan?
  • Als je een slecht cijfer haalt, hoe komt dat dan?
  • Als je jezelf moet inschatten, hoor je dan bij de slimmerds uit de klas, de middenmoot of degenen die veel moeite met leren hebben?
  • Wat is jouw top 3 van spannende momenten op school?
  • Wat zou je willen veranderen?
  • Zijn we in dit gesprek nog iets vergeten wat je toch graag wilt zeggen of opschrijven?
Bedank het kind voor het gesprek. Benadruk dat het moedig is over je angst te praten en dat jij dat als leerkracht heel erg waardeert. Spreek af dat jullie later gaan kijken hoe het probleem aangepakt kan worden.

Waar moet je op letten bij aanbieden nieuwe leerstof?

  • Vertel van te voren wat het doel is van de les. “Vandaag ga je leren het onderwerp uit een zin te halen.” Dat helpt de kinderen focussen.
  • Verdeel de uitleg in kleine stapjes.
  • Herhaal veel, deze kinderen missen vaak een stuk uitleg door hun angstgevoelens. “Ik kan dit niet.”
  • Benadruk dat het niet vreemd is, als je het nog niet (helemaal) snapt na de uitleg. Leg de schuld daarvan bij de leerstof. Spreek ook meteen de verwachting uit dat ze dit gaan snappen. “Dit is een moeilijk onderwerp. Het komt nog veel terug en dan oefenen we verder. Na een tijdje zul je het snappen.”
  • Bouw tijdens de verwerking controle momenten in. Loop eens langs het kind en neem hem eventueel  “voor de zekerheid” even mee naar de instructietafel om samen te kijken. Zeg dus niet dat het kind het niet snapt en daarom moet komen.
  • Bespreek na afloop met z’n allen wat we nu geleerd hebben.
  • Overigens werkt bovenstaande prettig voor àlle kinderen.

Waar moet je op letten tijdens het inoefenen?

  • Benadruk dat de kinderen eerst zelf het probleem moeten proberen op te lossen. Spreek af dat ze daarna met een medeleerling proberen de oplossing te vinden als het alleen niet lukt. Geef wel aan dat ze hulp krijgen als het echt niet lukt.
  • Geef bemoedigende opmerkingen als: “Je doet het goed.” “Ik zie dat je slim bezig bent.” Enz.
  • Laat weten dat je hoge verwachtingen hebt, maar stel wel reële eisen.
  • Leg de nadruk op de successen, ook als het nog niet (helemaal) goed is. “Je hebt minder fouten dan de vorige keer. Ik weet zeker dat het een volgende keer nòg beter gaat. Goed zo! “
  • Vermijd negatieve uitspraken als “Dat is te moeilijk voor jou.”
  • Let ook op je non verbale gedrag in dit opzicht. Diep zuchten tijdens een uitleg aan een kind, met je ogen rollen.. het bevordert het zelfvertrouwen niet.

Waar moet je op letten vóór een toets?

  • Voor sommige kinderen kan het helpen om ademhalingsoefeningen toe doen. Als je gespannen bent heb je vaak een borstademhaling. Oefen op het verkrijgen van een buikademhaling. Uiteraard moet je niet vijf minuten voor de toets voor het eerst oefenen, maar als je dit met je klas vaker oefent, kunnen deze kinderen het vóór de toets wèl toepassen. Uiteraard zijn er nog veel meer ademhalingsoefeningen.
  • Voor sommige kinderen helpt het bewust aanspannen en ontspannen van hun spieren ook. Het krampachtige gevoel verdwijnt, ze worden iets meer ontspannen. Ook deze oefeningen kun je regelmatig oefenen met je klas en vóór de toets weer toepassen.
  • Het “goed gaan zitten” helpt ook om alle spieren te ontspannen. Twee voeten op de grond, rug tegen de stoelleuning, rechtop. Zo kun je makkelijker ademen en makkelijker ontspannen zitten.

Waar let je op tijdens het maken van de toets?

  • Als je de toets zelf maakt, formuleer de vragen dan kort en bondig. Zeker faalangstige kinderen hebben hier baat bij. Zo weten ze beter wat er verwacht wordt. Dit voorkomt paniek.
  • Rangschik de vragen van makkelijk naar moeilijk. Als de eerste twee vragen goed te beantwoorden zijn, geeft dit al wat meer zekerheid voor de rest van de vragen.
  • Bij een faalangstige leerling kun je eventueel aangeven welke vragen nodig zijn om een voldoende te behalen. Kijk wel of dit echt werkt, dit zal per kind verschillen.
  • Zorg dat de factor tijd “uitgeschakeld” wordt. Als het kind er zo lang overmag doen als nodig is, zul je merken dat hij waarschijnlijk gewoon klaar is op dezelfde tijd als de anderen.
  • Kondig toetsen ruim van te voren aan. Zo kan het kind zich redelijkerwijs gezien goed voorbereiden.
  • Maak als ruggensteun eventueel samen met het kind een planning om de toets te leren.
  • Geef als het even kan geen onverwachte overhoringen. Paniekaanval verzekerd.

Waar moet je op letten na de toets?

  • Schrijf positieve opmerkingen bij het werk. Als het werk dramatisch gemaakt is en er geen positieve opmerkingen bij kunnen, schrijf er dan in ieder geval geen venijnige negatieve opmerkingen bij.
  • Zet bij alle goede antwoorden een krul. Bij de foute antwoorden niets of slechts een klein streepje.
  • Noteer het aantal goede antwoorden, niet het aantal foute.
  • Kijk de toetsen zo snel mogelijk na. Een week of langer wachten is niet goed; eigenlijk moeten de cijfers de andere dag gegeven worden.
  • Geef de toets niet zomaar terug. Bespreek hem klassikaal, geef veel positieve feedback. Benadruk dat je kunt leren van de nu gemaakte fouten en dat het dáár nu juist om gaat.
  • Bespreek de toets eventueel ook nog apart met sommige kinderen.

Je kunt in gesprek gaan met een kind dat faalangst heeft, volgens het GGG-model van Ellis. Dit model biedt een andere manier van denken aan, waardoor het kind helpende gedachten leert gebruiken in plaats van mislukkingsgerichte gedachten.

Verder kijken​​

Voor het nagaan van leraargedrag kun je de volgende checklist gebruiken.

Horeweg, A. (2017). Faalangst, tips voor de leerkracht.
Geraadpleegd op 17-10-2017,
van https://wij-leren.nl/tips-gedragsproblemenindeklas-faalangst.php

Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.