Welke intake en selectieprocedure helpen om zowel NT1- als NT2-deelnemers in een passend taaltraject te plaatsen?

Geplaatst op 5 april 2021

De moedertaal en taalbeheersingsaspecten zijn belangrijke elementen bij het plaatsen van NT1- en NT2-deelnemers in een voor hen passend taaltraject. Die deelnemers verschillen vooral in mondelinge vaardigheden en schrijfvaardigheid van elkaar. Om te zorgen voor een passend onderwijsaanbod voor een deelnemer is het van belang de verschillende componenten van deze vaardigheden mee te nemen in de intake en de selectieprocedure.

Het taalonderwijs voor volwassenen kent deelnemers met Nederlands als moedertaal (NT1) en anderstaligen (NT2). Veel lesmateriaal en toetsen zijn specifiek afgestemd op een van beide groepen. Voor cursisten die daar buiten vallen, wordt wel eens de term NT1,5 gebruikt. Het gaat om volwassenen die niet in Nederland zijn geboren en door opleiding, werk of gezinssituatie de Nederlandse taal op onderdelen goed beheersen; maar niet voldoende om volwaardig te participeren in de maatschappij.

Verschillen tussen NT1-, NT1,5- en NT2-deelnemers

Om deelnemers in een passend taaltraject te plaatsen, waarbij het onderwijsaanbod aansluit bij hun wensen en taalvaardigheid, kan een intake helpen. Belangrijke onderdelen van een selectieprocedure zijn moedertaal, contextuele factoren en vooral taalvaardigheid.

Dat herkomst van een deelnemer niet de enige bepalende factor is voor een taalprofiel blijkt uit een analyse van laaggeletterde volwassenen. Daaruit komen vijf profielen naar voren: de gevorderde leerder, de gemiddelde leerder, de NT2-leerder, de leerder met lees- en schrijfproblemen, en de leerder met leermoeilijkheden. Deze profielen zijn gebaseerd op taalniveau, taalachtergrond, cognitieve capaciteiten en leerdoelen. Deze profielen volgen niet geheel de indeling naar NT1 en NT2.
Volwassen NT1-, NT1,5- en NT2-leerders bezitten dus andere taalvaardigheden. De drie groepen verschillen duidelijk op mondelinge vaardigheid (zinsbegrip en woordenschat) en schrijfvaardigheid. Minder verschil is er op het gebied van technisch lezen, begrijpend lezen en spelling.

Grote variëteit aan meetinstrumenten voor taalvaardigheid

Het is niet bekend welk meetinstrument het volwassenenonderwijs het beste kan gebruiken om de taalvaardigheid van een potentiële deelnemer te meten. De verschillende instellingen gebruiken diverse instrumenten. Het ontbreekt eveneens aan een samenhangend systeem van toetsing. Het doel van de meeste NT1-toetsen is om vast te leggen of iemand onder niveau 1F of tussen 1F en 2F in zit, of om per vaardigheid te meten wat iemands niveau is.
Omdat NT1- en NT2-deelnemers vooral verschillen in de mondelinge en schrijfvaardigheden, lijkt het nuttig om bij het toetsen op de actieve vaardigheden te focussen in plaats van gestandaardiseerde toetsen te gebruiken.

Taalvaardigheid meten aan de hand van spreek- en schrijfvaardigheden

Het lijkt daarom vooral belangrijk om in de intake op verschillende aspecten van spreek- en schrijfvaardigheid te richten. Voor leesvaardigheid bijvoorbeeld zou de nadruk moeten liggen op het alfabet (de juiste klank aan de juiste letter koppelen), vloeiend (voor)lezen, woordenschat en begrijpend lezen. De diversiteit aan profielen vraagt om een focus op de sterktes en zwaktes van een deelnemer, zodat de docent hier goed op kan inspelen.
Om aan te kunnen sluiten bij concrete taalsituaties van vooral NT2-deelnemers, is een brede toetsinhoud nodig teneinde hun spreekvaardigheid in kaart te brengen. Bovendien dient de beoordelingsmethode te passen bij wat deelnemers leren in de lessen en op welke taalvaardigheidsonderdelen gefocust wordt. Het lijkt zinvol om regelmatig te testen en te kijken of deelnemers nog steeds in de goede groep zitten en passende lesstof krijgen aangeboden.

Uitgebreide beantwoording

Opgesteld door: Manouk van den Brink (antwoordspecialist), Sandra Wagemakers, Maurice de Greef (kennismakelaars Kennisrotonde)
Vraagsteller: coördinator en docent volwasseneducatie bij mbo-instelling

Vraag

Welke intake/selectieprocedure helpt om zowel NT1- als NT2-deelnemers in een passend taaltraject te plaatsen?

Kort antwoord

Bij het plaatsen van NT1 en NT2-deelnemers in een passend taaltraject kunnen zowel moedertaal als taalbeheersingsaspecten worden meegenomen. NT1, NT1,5 en NT2 leerders verschillen met name in mondelinge vaardigheden en schrijfvaardigheid van elkaar. Om te zorgen voor een passend onderwijsaanbod voor een deelnemer is het belangrijk om verschillende componenten van deze vaardigheden mee te nemen in de intake.

Toelichting antwoord

De verdeling NT1 en NT2

In het taalonderwijs voor volwassenen bestaat er een tweedeling in het onderwijs voor mensen die het Nederlands als moedertaal hebben (NT1) en onderwijs voor anderstaligen (NT2). Veel lesmateriaal en toetsingsmogelijkheden wordt specifiek gemaakt voor ofwel de NT1-cursist (zie bijvoorbeeld de inventarisatie van Bohnenn & De Greef, 2012), ofwel de NT2-cursist (zie bijvoorbeeld de inventarisatie op NT2-online, 2020). Voor cursisten die niet in één van die hokjes passen, wordt wel eens de term NT1,5 gebruikt. Dit zijn cursisten die niet in Nederland zijn geboren en vanwege werk, gezinssituatie of onderwijsverleden de Nederlandse taal op sommige domeinen goed beheerst, maar niet voldoende om volwaardig te participeren in de maatschappij.

Bij het plaatsen van deelnemers in een goede leeromgeving kan het behulpzaam zijn om rekening te houden met de kenmerken van deelnemers en zijn of haar gewenste wijze van leren (De Greef & Bohnenn, 2011). Om cursisten in een passend taaltraject te plaatsen, waarbij het onderwijsaanbod aansluit bij de wensen en taalvaardigheid van de deelnemers, kan een intake helpen. In deze selectieprocedure kan er gekeken worden naar moedertaal en andere contextuele factoren, maar vooral taalvaardigheid lijkt belangrijk te zijn.

Verschillen tussen NT1, NT1,5 en NT2

De tweedeling tussen NT1 en NT2-onderwijs lijkt vooral gebaseerd op herkomst van de cursist, namelijk of de cursist wel of niet in Nederland geboren is en wel of niet met de Nederlandse taal is opgegroeid. In de praktijk blijkt die tweedeling veel complexer te zijn. Hoewel taalachtergrond niet het enige is dat gebruikt kan worden bij het plaatsen van deelnemers in een groep is er weinig onderzoek naar welke contextuele factoren nog meer meegenomen kunnen worden.
Een aanwijzing dat taalachtergrond niet de enige determinator is voor een vergelijkbaar taalprofiel komt naar voren uit een clusteranalyse onder laaggeletterde volwassenen. Op basis van deze clusteranalyse komen vijf cursistenprofielen naar voren: de gevorderde leerder, de gemiddelde leerder, de NT2-leerder, de leerder met (ernstige) lees- en schrijfproblemen, en de leerder met leermoeilijkheden. Deze profielen zijn gebaseerd op basis van taalniveau, taalachtergrond, cognitieve capaciteiten en leerdoelen (Kurvers e.a., 2013). Het blijkt dat deze profielen niet geheel de indeling naar NT1 en NT2 volgen en het plaatsen van deelnemers in een NT1 danwel NT2 groep mogelijk niet de meest geschikte manier is.

Uit onderzoek blijkt dat volwassenen NT1, NT1,5 en NT2-leerders andere taalvaardigheden bezitten (Kurvers & Stockmann, 2017). In dit onderzoek was een NT2-student iemand die minimaal 18 jaar was op het moment van migratie naar Nederland en korter dan 10 jaar in Nederland woont en een NT1,5 iemand die voor de 15e verjaardag naar Nederland was verhuisd of iemand die minimaal 20 jaar in Nederland woont. De NT1-cursist is iemand die in Nederland is geboren en Nederlands als moedertaal heeft. De onderzoekers maten het taalniveau op vijf vaardigheden: mondelinge vaardigheid, technisch lezen, begrijpend lezen, spelling en tekst schrijven.

Uit de resultaten bleek dat de drie groepen significant verschillen op mondelinge vaardigheid (zinsbegrip en woordenschat) en schrijfvaardigheid maar niet op het gebied van technisch lezen, begrijpend lezen en spelling. Zoals verwacht hebben de NT1ers de beste scores op mondelinge vaardigheden en de NT2ers daar de laagste scores. Bij zinsbegrip lijken NT1,5 studenten meer op NT1 studenten terwijl bij schrijfvaardigheid NT1,5 studenten meer op NT2 studenten lijken, zowel in vaardigheid als in het type fouten dat ze maken. Uit dit onderzoek blijkt dat NT1ers voornamelijk een geletterdheidprobleem hebben terwijl NT2ers veelal taalmoeilijkheden hebben. De problemen van NT1,5 lijken meer taalgerelateerd. De onderzoekers concluderen dat, hoewel NT1,5 studenten beter presteren dan NT2-studenten, ze andere instructie nodig hebben dan NT1-studenten op het gebied van woordenschat en instructie. NT1,5-studenten zouden profiteren van extra instructie in meer geavanceerd Nederlands vocabulaire. Ook kunnen NT1,5 leerders, net als NT2 leerders, profiteren van goede instructie over de syntax en morfologie. Het lijkt de onderzoekers niet verkeerd om NT1,5 leerders te behandelen als meer ontwikkelde tweede taalleerders in plaats van er vanuit te gaan dat ze zich op alle taalvlakken als NT1 leerders gedragen. Bij het plaatsen van NT1,5 leerders kan hier rekening meer gehouden worden.

Een grote variëteit aan meetinstrumenten wordt gebruikt om taalvaardigheid te meten

Taalvaardigheid is een belangrijk aspect bij het plaatsen van deelnemers in een traject. Er is geen onderzoek dat laat zien welk meetinstrument het beste gebruikt kan worden om de taalvaardigheid te meten om zo een cursist te plaatsen in een passend taaltraject (NT1 of NT2). Er worden, zowel in Nederlands als in het buitenland, diverse instrumenten gebruikt door verschillende instellingen (Bohnenn en Thijssen, 2015; Bunch et al, 2011; Gonzalves, 2017; Kruidenier, 2002).

Er is nog geen samenhangend systeem van toetsing voor volwasseneneducatie waarbij de uitkomsten van de intake aansluiten op meetinstrumenten die in de verdere leercyclus van de leerder worden ingezet, en dus die zou helpen bij het plaatsen van deelnemers in een passend taaltraject. Dit concluderen Bohnenn en Thijssen (2015) op basis van hun inventarisatie en analyse van gebruikte meetinstrumenten voor NT1-leerders. Het doel van de meeste toetsen is om óf vast te leggen of iemand onder 1F of tussen 1F en 2F in zit, of om per vaardigheid te meten wat iemands niveau is.

Ook in de Verenigde Staten worden veel verschillende methodes gebruikt om leerders te plaatsen in een taaltraject. Enkele scholen gebruiken alleen gestandaardiseerde toetsen, maar de meeste combineren of gebruiken dit met intern ontwikkelde, meer uitgebreide systemen om het Engelse niveau te bepalen. Informele toetsen richten zich vaker op actieve vaardigheden (spreken en schrijven) terwijl de gestandaardiseerde toetsen meer gewicht aan de passieve vaardigheden hechten (Gonzalves, 2017). Omdat NT1 en NT2 leerders vooral verschillen in de mondelinge en schrijfvaardigheden, lijkt het juist nuttig om bij het toetsen op de actieve vaardigheden te focussen in plaats van gestandaardiseerde toetsen te gebruiken.

Taalvaardigheid meten aan de hand van meerdere aspecten van mondelinge vaardigheden en schrijfvaardigheid

Zoals eerder genoemd blijkt dat het verschil tussen NT1, NT1,5 en NT2 afhankelijk is van het onderdeel van taalvaardigheid. Leerders verschillen met name op mondelinge vaardigheden en schrijfvaardigheid (Kurvers & Stockmann, 2017). Het lijkt daarom vooral belangrijk om in de intake op verschillende aspecten van mondelinge vaardigheden en schrijfvaardigheid te richten. Uit onderzoek is niet geheel duidelijk op welke aspecten van taalvaardigheid dan gericht zou moeten worden. Wel blijkt dat binnen spreek- en schrijfvaardigheden verschillende componenten zitten waarin leerders kunnen verschillen. Om te zorgen voor een geschikt onderwijsaanbod voor een leerder is het belangrijk om deze verschillende vaardigheden mee te nemen in de intake.

Uit een literatuurstudie van Benseman e.a. (2005) blijkt dat beoordelingsinstrumenten verschillende vaardigheden van schrijf- en leesvaardigheid van leerders mee zouden moeten nemen om te zorgen dat docenten op hetgeen focussen waar studenten behoeften aan hebben. Op leesvaardigheid dient zowel alfabet (dat wil zeggen, de juiste klank aan de juiste letter kunnen koppelen), vloeiend (voor)lezen, woordenschat en begrijpend lezen meegenomen te worden (Benseman e.a., 2005; Kruidenier, 2002). Kruidenier (2002) benadrukt, naar aanleiding van zijn review van beoordelingsinstrumenten, dat een goede beoordeling van de vaardigheden van een leerder in alle aspecten van lezen belangrijk is voor goed en efficiënt lesgeven. De diversiteit aan leerders profielen suggereert dat als alleen wordt gefocust op een deel van een vaardigheid de sterktes en zwaktes van een leerder niet goed voor het voetlicht komen en hier dus onvoldoende op kan worden ingespeeld. Als bijvoorbeeld alleen stillezen en mondeling begrip wordt getoetst kan het zijn dat deelnemers geplaatst worden in een groep waar ze moeten oefenen met vaardigheden die ze al kunnen (bijvoorbeeld NT2ers die woorden leren die ze al kennen) (Benseman e.a., 2005).

Ook ander onderzoek naar leesvaardigheid onder laaggeletterden laat zien dat leerders verschillen in componenten van leesvaardigheid, en dit dus gebruikt kan worden bij de intake. Op basis van verschillende vermogenstesten en snelheidstesten op technisch lezen, woordherkenning, vloeiend lezen en leesbegrip zijn door clusteranalyse zeven profielen naar voren komen. De onderzoekers benadrukken dat het belangrijk is deze meerdere aspecten van leesvaardigheid te meten zodat de instructie, al dan niet met differentiatie in de groep, aangepast kan worden op de sterktes en zwaktes van leerders (Mellard e.a., 2009).

In een eerder Kennisrotonde antwoord (Kennisrotonde, 2019) wordt ingegaan op de mogelijkheden om de spreekvaardigheid van volwassen NT2-leerders te meten. Hieruit blijkt dat een brede toetsinhoud nodig is die aansluit bij concrete taalsituaties. Welke vorm geschikt is, hangt mede af van het doel van de toets en wat je precies wil meten.
Bovendien dient de beoordelingsmethode te passen bij wat er geleerd wordt in de lessen en op welke onderdelen van taalvaardigheid er gefocust wordt (Kruidenier, 2002). Als je in de lessen dus focust op een specifiek aspect van schrijfvaardigheid, zou de intake dit aspect van schrijfvaardigheid ook moeten toetsen. Ten slotte, geeft Kruidenier aan om regelmatig te blijven testen en kijken of leerders nog steeds in goede groep zitten en/of zo de lesstof op de leerders aan te passen.

Geraadpleegde bronnen 

Gerelateerd

Lessenserie
Weet wat je eet
Weet wat je eet
Gratis online lespakket voor vmbo, havo, vwo en mbo
Voedingscentrum 
Verkeersplein
Maak kans op een verkeersplein voor jouw school
Maak kans op een verkeersplein voor jouw school
Meld je school direct aan!
ANWB 
Masterclass
Taalontwikkeling in de kinderopvang
Taalontwikkeling in de kinderopvang
Stimuleren van taalontwikkeling bij baby's en peuters
Medilex Onderwijs 
eigentijds woordenschatonderwijs met woordcirkel
Maak van de school een woordpaleis
Jos Cöp
Klassen en kansen
Klassen en kansen, wat te doen aan kansenongelijkheid?
Peter de Vries
NT2-onderwijs versterken
NT2-onderwijs versterken via formeel en informeel leren
Sylvia Peters
Taalonderwijs betekenisvol en effectief
Taal, daar draait het om!
Bea Pompert
Tweetaligheid
Tweetaligheid is geen probleem
Sieneke Goorhuis
Rijk taalaanbod
Rijk taalaanbod door spel
Sieneke Goorhuis
Woordenschat verbinden met taalbeschouwing
Woorden en betekenissen
Dolf Janson
Vluchtelingen begeleiding
Vluchtelingkinderen in de Klas
Hélène van Oudheusden
Technisch lezen in een doorlopende lijn
Technisch lezen in een doorlopende lijn; een praktisch handboek voor de basisschool.
Paul Filipiak
Het belang van vroege mondelinge taalvaardigheid
Al pratend wijs; het belang van een goede vroege mondelinge taalvaardigheid
Paul Filipiak
Pedagogisch klimaat nieuwkomers
Een warm pedagogisch klimaat voor nieuwkomers
Hélène van Oudheusden
Het meertalige kind
Het meertalige kind
Paul Filipiak


Inschrijven nieuwsbrief

Inschrijven nieuwsbrief



Inschrijven nieuwsbrief

Intake selectieprocedure NT1 en NT2
Hoe zorg je voor een passend taaltraject voor NT1 en NT2?
Kenmerken blended learning NT2- volwassenonderwijs
Welke kenmerken van blended learning zijn positief voor NT2 deelnemers?
Functionele of grammaticale onderwijsbenadering nt2 taal
Taal leren door volwassen NT2 deelnemers: functionele of grammaticale aanpak?
Gebruik van instructievideo in primair onderwijs
Aan welke criteria voldoet een goede instructievideo?
Interactieve werkvormen in coronatijd digibete volwassenen
Hoe geef je interactief (taal)onderwijs in coronatijd aan volwassenen?
Afstandsleren commitment en zelfsturing bij volwassenen
Is afstandsleren effectief bij laagopgeleide volwassenen?
Effect aandacht tekstsoorten bovenbouw leesvaardigheid
Heeft aandacht voor verschillende tekstsoorten effect op leesvaardigheid?
Aparte taalklas voor nt2 leerlingen basisonderwijs nederlands leren
Nederlands leren: aparte klas of instromen in het reguliere onderwijs?
Samenwerken moderne vreemde talen bijdrage leerprestaties?
Samenwerken bij een vreemde taal: hoe stimulerend is dat?
Formatief toetsen inpassen in programmagericht taalonderwijs
Hoe pas je formatief toetsen in binnen taalonderwijs?
Intrinsieke motivatie
Het motiveren van leerlingen met verschillende prestatieniveaus en achtergrondkenmerken
GAS methodiek
GAS geven: doelgericht werken aan taal en lezen in Passend Onderwijs
Animaties taal po
Gebruik van animaties bij taal in basisonderwijs
Schooltaal woordenschat po
Schooltaal en woordenschat in taalonderwijs op de basisschool
Taalonderwijs BBL
Taalonderwijs in BBL-trajecten MBO
[extra-breed-algemeen-kolom2]



achterstandsleerlingen
NT2
taalontwikkeling

 

Mis geen bijdragen

Inschrijven nieuwsbrief

Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook Volg ons op instagram Volg ons op pinterest