effect van (terug)verwijzing op welbevinden lln Effect geanimeerde prentenboeken op taalontwikkeling Relatie lezen en spelling in groep 5
Algemeen
Vreemde talen Effect eindadvies basisschool Factoren die invloed hebben op professioneel oordelen Hyperfocus Teamgrootte mbo Genderstereotypering Doorstroom mbo-hbo Creativiteitsontwikkeling Tweelingen Groepssamenstelling Leerlijnen vergelijken Meisjes risicomijdend?
betrokkenheid
Hoe kunnen scholen ouderbetrokkenheid vergroten?
Gedragsproblemen
Hoogsensitiviteit herkennen
Ouders
Ouderbetrokkenheid en leerresultaten Ouderportalen
Klassenmanagement
Orde en aandacht Effect van homogeen of heterogeen groeperen Effect wisselende samensstelling basisschoolklas
Professionalisering
Effectiviteit van grote docententeams
Rekenen
Clusteren rekenonderwijs Motivatie pro-leerlingen
Autisme ASS
Leerlingen met ASS
Instructie
4C/ID-model
Onderwijskwaliteit
Lerarenvaardigheden in gepersonaliseerd onderwijs Effecten van formatief evalueren Factoren die de Cito-eindtoets beinvloeden Meetinstrument gepersonaliseerd leren Mogelijkheden flexibalisering lerararenopleiding Welke rapportvormen geven goed inzicht?
Sociaal
Drama voor groepsvorming Schoolsucces in de brugklas
Taal
NT2 bij migrantenkinderen Is muziekonderwijs een hulpmiddel bij taal? NT2-stimuleren taalontwikkeling Tweetalig onderwijs en schoolprestaties Reflectieopdrachten en zelfregulatie
Klimaat
Negatieve effecten smartphone Verbaal uiten gevoelens bevordert welbevinden? Verband tussen wereldbeeld en gebrek motivatie Hoe kunnen scholen discriminatie voorkomen?
Leren
Adaptieve software Blended learning effect E-portfolioís Effect huiswerk Formatieve toetsing Later keuzemoment lln. vo Nakijken en feedback Bewegend leren Verbonden schrift en blokschrift Leeropbrengsten van werken met een weektaak
Lezen
Leerstijlen Fonemisch bewustzijn Voorwaarden voor begrijpend lezen Effect klank letterkoppelingen op leesresultaten in groep 3
Lezen - dyslexie
relatie frans-spaans en dyslexie in vo
Samenwerken
Lerende netwerken Duobanen
Schrijven
Schrijfmateriaal
Differentiatie
Differentiatievormen
Kernkwaliteiten
Eigenaarschap leerlingen vo
Onderwijssysteem
Continurooster Kleuterverlenging Zittenblijven of versnellen Keuze vervolgopleiding mbo Klassengrootte Invloed kwartiertjesrooster op taakgerichtheid leerlingen Leerlingpopulatie en resultaten Loslaten leerstofjaarklassensysteem effect op ontwikkeling
Gym
Effect beweging Spel en beweging
Hoogbegaafdheid
Werken met hoogbegaafde leerlingen
Motivatie
Motivatie MBO Cijfers geven StrategieŽn voor zelfregulering Zelfvertrouwen en zelfstandigheid
Pesten
Cyberpesten en andere digitaal ongewenst gedrag
Schoolontwikkeling
Professionele leergemeenschap Vaardigheden gepersonaliseerd onderwijs zichtbaar in lespraktijk
Beroepsonderwijs
Ondernemerschapsvaardigheden in mbo-opleiding Eindexamencijfer vmbo voorspeller schoolsucces havo? Werkplekleren in het beroepsonderwijs Competenties docent beroepsonderwijs meerwaarde woordenschat citotoetsen
Problemen
Integratie vluchtelingen Traumasensitief lesgeven aan vluchtelingkinderen
Techniek
Practicum als onderwijsactiviteit
VO en MBO
groepsgrootte werkbeleving docenten effecten studenten mbo LoopbaanoriŽntatie in VO Kenmerken MBO-studenten Heterogene brugklas
Passend onderwijs
Vroegtijdig verwijzen
Engels
Engels aanbieden aan kleuters met taalachterstand tweetalig onderwijs in het mbo Tweetalig onderwijs TTO schoolprestaties
Arbeidsvoorwaarden
Functiemix en salaris
Exacte vakken
Programmeren
ICT
Virtual reality digitale geletterdheid mediawijsheid computervaardigheden praktijkonderwijs Ruimtelijk inzicht GIS Games voor leerlingen met concentratieproblemen Invloed digitale leeromgevingen op leraren Kenmerken professionalisering ict-competenties leraren Tablet in het onderwijs Jonge kinderen en tabletgebruik tijd- en plaatsonafhankelijk gepersonaliseerd leren

 

Wat is het effect van verwijzing en terugverwijzing op het welbevinden van leerlingen?

Geplaatst op 31 mei 2017

Samenvatting

Bekend is dat zorgleerlingen met leerstoornissen of gedragsmoeilijkheden in het regulier onderwijs, die (nog) niet zijn verwezen naar het speciaal onderwijs, een lager welbevinden hebben dan vergelijkbare leerlingen in het speciaal onderwijs. Dat komt doordat zij zich, anders dan bijvoorbeeld licht verstandelijk beperkte leerlingen, vergelijken met de ‘gemiddelde’ leerling op een reguliere school. Er zijn echter geen onderzoeksresultaten beschikbaar die iets zeggen over het effect van de overstap van regulier onderwijs naar speciaal onderwijs of andersom op het welbevinden van leerlingen.

Sinds de invoering van passend onderwijs daalt het aantal leerlingen in het speciaal en het voortgezet speciaal onderwijs. De beweging is vooral in het basisonderwijs te zien. Het wordt minder gebruikelijk dat leerlingen een volledige schoolloopbaan in het speciaal onderwijs doorlopen. (Terug)verwijzingen van het speciaal onderwijs naar het regulier onderwijs kwamen vóór de invoering van passend onderwijs vrij zelden voor. Sinds de invoering van passend onderwijs is er een lichte stijging in de uitstroom van speciaal naar regulier onderwijs.

Welbevinden van zorgleerlingen

Gericht onderzoek naar welbevinden van leerlingen die (recent) zijn overgestapt van een school voor speciaal onderwijs naar een school in het regulier onderwijs of andersom hebben we niet aangetroffen. Er is wel het een en ander bekend over het welbevinden van zorgleerlingen in het regulier onderwijs en in het speciaal onderwijs, zonder dat daarvan bekend is of ze recentelijk zijn overgestapt.

Er zijn nauwelijks verschillen in sociaal-emotionele kenmerken tussen zorgleerlingen en niet-zorgleerlingen in het regulier basisonderwijs. Ook tussen de zorgleerlingen in het reguliere basisonderwijs en de leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs zijn er nauwelijks verschillen in mate van welbevinden.

Sociale vergelijking

Deze bevindingen zijn verrassend. Leerlingen met leerproblemen in het regulier onderwijs zouden een negatiever zelfbeeld kunnen krijgen dan in het speciaal onderwijs, omdat ze het gevoel hebben dat zij achterblijven bij andere leerlingen. Leerlingen die volgens de leraar in het regulier onderwijs zorgleerling zijn, scoren gemiddeld lager qua welbevinden dan leerlingen die niet als zorgleerling zijn aangemerkt.

Dat zorgleerlingen in het regulier onderwijs een negatiever beeld van zichzelf hebben, kan worden verklaard door sociale vergelijking. Kinderen relateren hun eigen competenties voor een groot deel aan hun klasgenoten. Vooral voor de kinderen met specifieke leerstoornissen of gedragsmoeilijkheden valt die vergelijking negatief uit. Zij hebben vaak een gemiddelde intelligentie en vergelijken zichzelf daarom met de ‘gemiddelde’ leerling. Het ligt anders bij een leerling met een licht verstandelijke handicap die beseft dat hij ‘anders’ is en zichzelf daarom minder met anderen vergelijkt. In het voortgezet onderwijs lijkt het mechanisme van sociale vergelijking minder een rol te spelen. Reden zou kunnen zijn dat in het voortgezet onderwijs leerlingen vaker op een schooltype zitten dat past bij hun cognitieve mogelijkheden.

Zorgleerlingen in speciaal onderwijs

Een overstap van het regulier onderwijs naar het speciaal onderwijs kunnen leerlingen als overweldigend en negatief ervaren, vooral in het basisonderwijs. Wanneer leerlingen ouder worden, wordt de overstap naar speciaal onderwijs vaker als een positieve ervaring beleefd. Toch lijken leerlingen het dan ook te betreuren dat de extra ondersteuning of de overstap naar speciaal onderwijs niet eerder heeft plaatsgevonden.

Wat wellicht een belangrijke rol gaat spelen door de invoering van passend onderwijs is de zogenoemde verdichtingsproblematiek. Wanneer meer leerlingen met een lichtere zorgbehoefte naar het regulier onderwijs gaan, blijven er relatief meer leerlingen met zwaardere problematiek achter in het speciaal onderwijs. Deze verdichting kan uiteraard effect hebben op het welbevinden van leerlingen die in het speciaal onderwijs instromen/verblijven. Daarover zijn nog geen onderzoeksresultaten bekend.

Uitgebreide beantwoording

Opgesteld door: Sjerp van der Ploeg en Anke Klein Hulse
Vraagsteller: Adviseur expertisecentrum speciaal onderwijs

Vraag

Wat is het effect van verwijzing van leerlingen naar het speciaal onderwijs en het terugverwijzen naar het regulier onderwijs op het welbevinden van leerlingen?

Kort antwoord

Er zijn geen onderzoeksresultaten beschikbaar die iets zeggen over het effect van de overstap van regulier onderwijs naar speciaal onderwijs of andersom op het welbevinden van leerlingen. Onderzoek naar het welbevinden van zorgleerlingen in het regulier onderwijs (die nog niet zijn verwezen) en in het speciaal onderwijs (die daar mogelijk al heel lang verblijven) laat zien dat vermoedelijk leerlingen met specifieke leerstoornissen of gedragsmoeilijkheden in het regulier onderwijs een lager welbevinden rapporteren doordat zij zich anders dan bijvoorbeeld een licht verstandelijke beperkte leerlingen vergelijken met de “gemiddelde” leerling.

Toelichting

Leerlingen die worden verwezen vanuit speciaal onderwijs naar regulier onderwijs of andersom gaan naar een andere school en een andere klas. Ze worden mogelijk anders benaderd en krijgen op een andere wijze te maken met de inhouden en resultaten van het curriculum. Hoe ervaren deze jongeren een school voor speciaal onderwijs en het feit dat ze daar onderwijs krijgen? En hoe is de beleving als zij vanuit speciaal onderwijs naar regulier onderwijs overstappen?

Al jaren is er een internationale trend zichtbaar richting inclusief of passend onderwijs (Ruijs & Peetsma, 2009). Inclusief onderwijs houdt in dat kinderen die speciale ondersteuningsbehoeften hebben, zoveel mogelijk in het regulier onderwijs worden opgenomen, waarbij de benodigde ondersteuning naar het kind wordt gebracht in plaats van het kind naar de benodigde ondersteuning (Ruijs & Peetsma, 2009).

Het achterliggende idee bij de invoering van passend onderwijs is dat scholen de zorgplicht hebben om elke aangemelde leerling de best passende plek te bieden bij de eigen school of een andere school in het samenwerkingsverband. Eén van de doelen is dat leerlingen minder vaak richting speciaal onderwijs zullen worden verwezen en ook dat ze daar minder vaak definitief zullen verblijven (NRO, 2014).

Sinds de invoering van passend onderwijs daalt het aantal leerlingen in het speciaal en het voortgezet speciaal onderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2017). Er is daarmee sprake van een trendbreuk doordat aan een jarenlange stijging een einde is gekomen. De beweging is vooral in het basisonderwijs te zien. Het totaal aantal leerlingen in het speciaal onderwijs is in 2016 ten opzichte van 2014 met 6,5 % gedaald, van 31.000 naar 29.000 leerlingen. In het voortgezet speciaal onderwijs is het aantal leerlingen in diezelfde periode met 5% afgenomen, van 40.000 naar 38.000 leerlingen. Het wordt minder gebruikelijk dat leerlingen een volledige schoolloopbaan in het speciaal onderwijs doorlopen (Inspectie van het Onderwijs, 2017).

(Terug)verwijzingen van het speciaal onderwijs naar het regulier onderwijs kwamen vóór de invoering van passend onderwijs vrij zelden voor (Van der Vegt, 2015). Sinds de invoering van Passend Onderwijs is er een lichte stijging in de uitstroom van speciaal naar regulier onderwijs.

Welbevinden van zorgleerlingen

Gericht onderzoek naar welbevinden van leerlingen die (recent) zijn overgestapt van een school voor speciaal onderwijs naar een school in het regulier onderwijs of andersom hebben we niet aangetroffen. Er is wel het een en ander bekend over het welbevinden van zorgleerlingen in het regulier onderwijs en in het speciaal onderwijs zonder dat daarvan bekend of ze recentelijk zijn overgestapt.

Zorgleerlingen in het regulier onderwijs

Koopman, Ledoux, Karssen, Van der Meijden en Petit (2015) vonden nauwelijks verschillen in sociaal-emotionele kenmerken tussen zorgleerlingen en niet-zorgleerlingen in het regulier basisonderwijs. Ook tussen de zorgleerlingen in het reguliere basisonderwijs en de leerlingen in het speciaal basisonderwijs en de leerlingen in het speciaal onderwijs zijn er nauwelijks verschillen in mate van welbevinden. Hetzelfde geldt voor leerlingen met en zonder rugzak in het regulier basisonderwijs en speciaal basisonderwijs waar geen verschillen in welbevinden worden aangetroffen. Wel scoren leerlingen in het speciaal onderwijs met een cluster 4-indicatie gemiddeld lager op welbevinden dan de leerlingen in het speciaal basisonderwijs en in het reguliere basisonderwijs. De verschillen zijn echter erg klein (Koopman et al., 2015).

Deze bevindingen zijn verrassend omdat volgens Smeets et al. (2007) leerlingen met leerproblemen in het regulier onderwijs een negatiever zelfbeeld zouden kunnen krijgen dan in het speciaal onderwijs, omdat zij het gevoel hebben dat zij achterblijven bij andere leerlingen. Leerlingen die volgens de leraar in het regulier onderwijs zorgleerling zijn, scoren gemiddeld lager qua welbevinden dan leerlingen die niet als zorgleerling zijn aangemerkt.

De stelling dat zorgleerlingen in het regulier onderwijs een negatiever beeld van zichzelf hebben, wordt onderschreven door Sontag, Reitsma en Schipper (2012) die dit fenomeen verklaren door sociale vergelijking (social comparison): kinderen relateren hun eigen competenties voor een groot deel aan hun klasgenoten. Vooral voor de kinderen met specifieke leerstoornissen of gedragsmoeilijkheden valt die vergelijking negatief uit. Zij hebben vaak een gemiddelde intelligentie en vergelijken zichzelf daarom met de “gemiddelde” leerling.

Het ligt anders bij een leerling met een licht verstandelijke handicap die beseft dat hij “anders” is en zichzelf daarom minder met anderen vergelijkt (Peetsma, Vergeer, Roeleveld & Karsten, 2001; uit Kennisrotonde, 2015). Dit laatste sluit overigens wel goed aan bij de bevindingen van Koopman e.a. (2015) die voor leerlingen met een cluster 4 indicatie een lager welbevinden rapporteren. In het voortgezet onderwijs lijkt het mechanisme van sociale vergelijking minder een rol te spelen, wat volgens Sontag et al. (2012) veroorzaakt zou kunnen worden door het feit dat in het voortgezet onderwijs leerlingen meer op een schooltype worden geplaatst dat passend is bij hun cognitieve mogelijkheden.

Verder blijkt het zelfbeeld van zorgleerlingen met een rugzak in het reguliere onderwijs (vóór de invoering van Passend Onderwijs) ten opzichte van klasgenoten en ten opzichte leerlingen met een rugzakje in het speciaal basisonderwijs zich in de loop van een schooljaar ongunstiger te ontwikkelen (Kroesbergen e.a. , 2010). Zij stelt dat rugzakleerlingen (die overigens sinds de invoering van passendonderwijs niet meer bestaan) zich door deelname aan het regulier onderwijs weliswaar een ongunstiger, maar wellicht wel realistischer beeld vormden van hun feitelijke competenties en dat leerlingen in het SBO zichzelf vaker overschatten.

Zorgleerlingen in speciaal onderwijs

Harris (2016) geeft aan dat een overstap van het regulier onderwijs naar speciaal onderwijs door leerlingen als overweldigend en negatief kan worden ervaren. Dit wordt vooral zo beleefd door leerlingen als de overstap plaatsvindt tijdens het basisonderwijs. Wanneer leerlingen ouder worden, wordt de overstap naar speciaal onderwijs vaker als een positieve ervaring beleefd. Toch lijken leerlingen het dan ook te betreuren dat de extra ondersteuning of de overstap naar speciaal onderwijs niet eerder heeft plaatsgevonden.

Van der Vegt heeft in 2015 voor de Kennisrotonde de vraag beantwoord of leerlingen met een ondersteuningsbehoefte beter af zijn in speciaal onderwijs of in regulier onderwijs. Hier blijkt ook uit dat vroege signalering van leerproblemen en snelle interventies betere kansen op een gunstige ontwikkeling van kinderen bieden dan dat als dat later gebeurt. De vroegtijdige erkenning en behandeling hoeft overigens niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat een leerling wordt verwezen naar speciaal onderwijs. Dat kan ook in het regulier onderwijs, mits er extra professionaliteit en een meer intensieve aanpak kunnen worden geboden.

Wat wellicht een belangrijke rol gaat spelen door de invoering van Passend Onderwijs is de zogenaamde verdichtingsproblematiek: dit houdt in dat wanneer meer leerlingen met een lichtere zorgbehoefte naar het regulier onderwijs gaan, er relatief meer leerlingen met zwaardere problematiek achterblijven in het speciaal onderwijs (De Boer & Van der Worp, 2016). Deze verdichting kan uiteraard effect hebben op het welbevinden van leerlingen die in het speciaal onderwijs instromen/verblijven. Daarover zijn nog geen onderzoeksresultaten bekend.

Conclusies   

De beleving van leerlingen wanneer zij overstappen van regulier onderwijs naar speciaal onderwijs blijkt niet specifiek onderzocht en de onderzoeksbevindingen over het welbevinden van zorgleerlingen in het algemeen lijken soms tegenstrijdig te zijn. Dit zou volgens Ruijs en Peetsma (2009) kunnen liggen aan het feit dat veel onderzoek naar speciaal onderwijs kleinschalig, kwalitatief onderzoek betreft. De doelgroepen die binnen de verschillende onderzoeken aan bod komen, verschillen nogal in de aard en niveau van de beperkingen/onderwijsbehoeften, waardoor het lastig is algemene conclusies te trekken en de resultaten te generaliseren. Veel informatie is beschikbaar over ontwikkelingen in schoolprestaties, schoolloopbanen, en de aansluiting met de arbeidsmarkt van leerlingen met een beperking in het Nederlandse onderwijs maar minder over de beleving van leerlingen zelf.

Geraadpleegde bronnen

Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.