Inzet van theorie over Meervoudige Intelligentie: werkt dat?

Geplaatst op 22 november 2017

Samenvatting

Om recht te doen aan verschillen tussen leerlingen, maakt een aantal scholen gebruik van de theorie over meervoudige intelligentie (MI). Hoewel er enige aanwijzingen zijn dat aandacht voor MI gunstig werkt bij wiskunde, is er weinig deugdelijk wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de toepassing en de effecten van deze theorie in het onderwijs. Of de theorie invloed heeft op de leerresultaten weten we dus niet. Er zijn andere, wél met onderzoek onderbouwde manieren om recht te doen aan verschillen tussen leerlingen.

De theorie over meervoudige intelligentie (MI) is geïntroduceerd door Howard Gardner. Op basis van hersenonderzoek en onderzoek in leersituaties onderscheidt hij acht vormen van intelligentie. Dit zijn: linguïstische, logisch/mathematische en ruimtelijke intelligentie (die samen in traditionele IQ-tests worden gemeten) en verder muzikale, lichamelijke/kinesthetische, interpersoonlijke, intrapersoonlijke en naturalistische intelligentie. Gardner gaat er vanuit dat ieder mens een persoonlijk profiel van sterk en minder sterk ontwikkelde intelligenties heeft. Er is echter kritiek op de theoretische en empirische onderbouwing. Ook wordt het onderscheid tussen de veronderstelde intelligenties bekritiseerd, net als het weglaten van een aantal andere mogelijke intelligenties. Daarnaast is er kritiek op de term intelligentie. In de omschrijving van Gardner gaat het eerder om talenten, vermogens of skills.

Toepassing in het onderwijs

De aandacht voor MI kan mede gezien worden binnen de actuele belangstelling voor neurowetenschappen en zogeheten neuromythes. Het gaat hier om onjuiste interpretaties van wetenschappelijke kennis, die uitmonden in misvattingen over het functioneren van de hersenen en wat dat betekent voor onderwijs en opvoeding. De aandacht voor MI komt ook doordat scholen recht willen doen aan verschillende talenten van leerlingen en om bijvoorbeeld kinderen met een laag ‘traditioneel’ IQ zichtbaar te laten uitblinken op andere vlakken.

Verschillende MI-testen zijn beschikbaar om persoonlijke MI-profielen te bepalen. De validiteit van die testen is echter beperkt, mede door de gebrekkige onderbouwing van de theorie. Er zijn ook geen aanwijzingen dat leerlingen met verschillende MI-profielen verschillend leren of dat bij verschillende MI-profielen verschillende instructiestijlen passen.

Effectonderzoek

Hoewel Gardners theorie veel scholen inspireert tot aanpassingen in hun onderwijs, is het onduidelijk wat er dan precies (anders) gebeurt in de klas en hoe zich dat verhoudt tot het eerder gebruikte aanpakken. Voor zover (effect)onderzoek naar de inzet van MI beschikbaar is, is de interpretatie ervan lastig. Er ontbreken namelijk vaak vergelijkingsgroepen en statistische maten voor significantie van voor- en nametingen. Ook is veelal onduidelijk waarvan de gemeten resultaten precies een effect zijn.
Er zijn wel enige aanwijzingen dat aandacht voor MI gunstig werkt bij wiskunde. Zo zou het probleemoplossend vermogen van studenten erbij gebaat zijn.

Adaptief onderwijs

Zoals gezegd kan aandacht voor MI gezien worden als een manier om recht te doen aan verschillen tussen leerlingen. Maar recht doen aan verschillen kan op meer manieren dan via aandacht voor meervoudige intelligentie. Onderzoek laat zien dat adaptief onderwijs – op basis van een verbreding van het handelingsrepertoire van leraren, grotere diversiteit aan lesmaterialen en dergelijke – bijdraagt aan de ontwikkeling van leerlingen. Leraren zouden zichzelf op dat vlak moeten professionaliseren om effectief te kunnen zijn. Een aantal van deze aanpakken is onderwerp van effectonderzoek. Zie bij ‘Meer weten’ voor een aantal actuele links naar dit brede onderzoeksterrein.

Uitgebreide beantwoording

Opgesteld door: Niek van den Berg
Vraagsteller: Intern begeleider van een basisschool

Vraag

Wat is er uit onderzoek bekend over de effecten van de inzet van de theorie over meervoudige intelligentie (Howard Gardner) in het onderwijs, op leerresultaten van leerlingen?

Kort antwoord

Om recht te doen aan verschillen tussen leerlingen, wordt op een aantal scholen onder meer gebruik gemaakt van de theorie over meervoudige intelligentie (MI). Hoewel er enige aanwijzingen zijn dat aandacht voor MI gunstig werkt bij wiskunde, is er al met al weinig deugdelijk wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de toepassing en de effecten van de theorie over MI in het onderwijs. Er kunnen daarom geen stevig onderbouwde conclusies getrokken worden of de inzet van de theorie al dan niet invloed heeft op de leerresultaten van leerlingen. Wie deze theorie inzet, zou kunnen monitoren hoe de leerresultaten zich ontwikkelen in groepen met en zonder toepassing van de theorie. Overigens zijn er andere, wél met onderzoek onderbouwde manieren om recht te doen aan verschillen tussen leerlingen.

Toelichting antwoord

Meervoudige intelligentie

De theorie over meervoudige intelligentie (MI) is geïntroduceerd door Howard Gardner (1983, 1999). Op basis van hersenonderzoek en onderzoek in leersituaties onderscheidt hij aanvankelijk zeven, later acht vormen van intelligentie. ‘Intelligentie’ is daarbij de term die hij door de jaren heen verbreed van probleemoplossend vermogen en aanpassingsvermogen op basis van denkvaardigheden, tot het vermogen om informatie te verwerken en daarmee in een bepaalde culturele setting problemen op te lossen of waardevolle producten te maken (Gardner aangehaald in Willingham, 2004). Het gaat Gardner om acht intelligenties die onderling onafhankelijk zouden zijn en geen aspecten zijn een meer omvattend begrip: linguïstische, logisch/mathematische en ruimtelijke intelligentie (die samen in traditionele IQ-tests worden gemeten) en verder muzikale, lichamelijke/kinesthetische, interpersoonlijke, intrapersoonlijke en naturalistische intelligentie.

Gardner gaat er vanuit dat ieder mens een persoonlijk profiel van sterk en minder sterk ontwikkelde intelligenties heeft. Er is echter kritiek op de theoretische en empirische onderbouwing en de waardengeladenheid van het onderscheid tussen de veronderstelde intelligenties en het weglaten van een aantal andere mogelijke intelligenties (Willingham, 2004; Van Biervliet, 2013; Van der Ploeg, 2015). Daarnaast is er kritiek op de term intelligentie, die volgens de omschrijving van Gardner eerder om talenten, vermogens, skills gaat dan om het begrip intelligentie zoals dat doorgaans werd en wordt gebruikt. Door echter van meervoudige intelligenties te spreken, bereikte Gardner een breder publiek dan met ‘talenten’ (Gardner, aangehaald in Willingham, 2004, p.24). Ook krijgt zijn theorie zo een normatieve lading voor onderwijs: het zijn intelligenties die ontwikkeld zouden moeten worden.

Toepassing in het onderwijs

In het onderwijs werd Gardners theorie al snel populair, onder meer omdat hij een antwoord leek op het traditionele intelligentiebegrip en een eenzijdige aandacht voor leerprestaties van leerlingen (Willingham, 2014; Van der Ploeg, 2015). Nog steeds wordt deze theorie gebruikt. Deze aandacht voor MI kan mede gezien worden binnen de actuele belangstelling voor neurowetenschappen, en de zogeheten neuromythes die daarmee geassocieerd worden. Het gaat hier om onjuiste interpretaties van wetenschappelijke kennis die uitmonden in misvattingen over het functioneren van de hersenen en wat dat betekent voor onderwijs en opvoeding (zie Dekker, Lee & Jolles, 2014; De Bruykere, Kirschner & Hulshof, 2015; PO-Raad, 2015).

Aandacht voor MI houdt verder vooral ook verband met het streven om recht te doen aan verschillende talenten van leerlingen en om bijvoorbeeld kinderen met een laag 'traditioneel' IQ zichtbaar te laten uitblinken op andere vlakken. Adaptief onderwijs, differentiatie, verrijking, gepersonaliseerd leren zijn in het licht van de aandacht voor passend onderwijs, talentontwikkeling en excellentieprogramma’s van belang, maar hebben geen noodzakelijke basis in Gardners theorie.


Uitstapje naar adaptief onderwijs

Onderzoek laat zien dat adaptief onderwijs - op basis van een verbreding van het handelingsrepertoire van docenten, grotere diversiteit aan lesmaterialen en dergelijke - bijdraagt aan de ontwikkeling van leerlingen, en ook dat docenten zichzelf op dat vlak zouden moeten professionaliseren om effectief te kunnen zijn. Een aantal van deze aanpakken zijn ook onderwerp van effectonderzoek. Zie verderop bij ‘Meer weten’ voor een aantal actuele links naar dit brede onderzoeksterrein.


Er zijn verschillende MI-tests beschikbaar om persoonlijke MI-profielen te bepalen, maar de validiteit van die test is beperkt, mede als gevolg van de gebrekkige onderbouwing van de theorie. Er zijn ook geen aanwijzingen dat leerlingen met verschillende MI-profiel verschillend leren of dat bij verschillende MI-profielen verschillende instructiestijlen passen (Willingham, 2004; Van Biervliet, 2013; Van der Ploeg, 2015). Gardner zelf stelt dat er meer onderwijsaanpakken kunnen passen bij zijn theorie, zolang ze maar rekening houden met verschillen tussen leerlingen (Gardner, aangehaald in Willingham, 2004). Dit roept de vraag op hoe deze breedte van ‘rekening houden met verschillen’ zich verhoudt tot zijn specifieke stelling dat intelligenties afzonderlijk ontwikkeld moeten worden. Er zijn verschillende handboeken beschikbaar die voortbouwen op de theorie (bijvoorbeeld Kagan & Kagan, 2009). Waar die handboeken precies op inzetten (de ontwikkeling van de veronderstelde intelligenties zelf zoals Gardner beoogt, of het adaptief inzetten van verschillende aanpakken om het leren als zodanig te stimuleren) en hoe docenten ze precies gebruiken is echter onduidelijk (Willingham, 2004).

Effectonderzoek

Hoewel Gardners theorie veel scholen inspireert tot aanpassingen in hun onderwijs, is het onduidelijk wat er dan precies (anders) gebeurt in de klas en hoe zich dat verhoudt tot de eerder gebruikte aanpakken. Voor zover (effect)onderzoek naar de inzet van MI beschikbaar is, is de interpretatie ervan lastig omdat bijvoorbeeld vaak vergelijkingsgroepen en statistische maten voor significantie van voor- en nametingen ontbreken. Ook is vaak onduidelijk waarvan de gemeten resultaten precies een effect zijn. Zijn ze het effect van de toepassing van de theorie, of van de verandering van curriculum als zodanig, of van een andere factor (Willingham, 2004, p.24; Van der Ploeg, 2015)?

Ook wanneer er wél vergelijkingsgroepen zijn, is niet steeds duidelijk hoe de toepassing van MI er concreet uitziet, en lijkt de onderwijsaanpak in de vergelijkingsgroepen minder intensief of dermate onaantrekkelijk dat elke afwijking daarvan, met of zonder MI, al positief resultaat zou hebben (Van der Ploeg, 2015, p.9, 14). Bij onderzoek dat wél inzicht geeft in de feitelijke toepassing van MI, ontbreken soms weer harde effectmaten of zijn de effecten niet eenduidig, terwijl de onderzoekers vervolgens toch de conclusie trekken dat de theorie werkt (Van der Ploeg, 2015, p.12-13).

Er zijn wel enige aanwijzingen dat aandacht voor MI gunstig werkt bij wiskunde. Zo zou het probleemoplossend vermogen van studenten erbij gebaat zijn (Carson, 1995; aangehaald door Van der Ploeg, 2015, p.12). Ook in de studie van Douglas, Burton, Reese-Durham (2008) lijkt aandacht voor MI gunstig te zijn voor wiskundeprestaties. Zij vergelijken de inzet van meervoudige intelligentie MI) met directe instructie (DI), met de aanname dat dat onderscheiden, niet te verenigen aanpakken zijn. Ook Kaplan, Duran en Baş (2015) komen in Turkije op basis van een meta-analyse van kwantitatief master- en doctoraalonderzoek met voor- en nametingen in wiskundeonderwijs tot de conclusie dat MI-gebaseerde instructie meer succesvol is dan traditionele onderwijsaanpakken. Wat die aanpakken inhouden, is echter ook nu niet goed duidelijk.

Geraadpleegde bronnen

Meer weten?

Recht doen aan verschillen tussen leerlingen kan op meer manieren dan via aandacht voor meervoudige intelligentie. Hieronder volgt een greep uit verschillende recente studies die op de website van NRO worden genoemd.
Over differentiatie in de klas:

Over gepersonaliseerd leren:

Over professionalisering van docenten met het oog op passend onderwijs:

Over excellentie:

Gerelateerd

Hoogbegaafdheid scan
Hoogbegaafdheid scan
inzicht in de sterke en zwakke kanten van je passend onderwijs aan begaafde kinderen
Timpaan Onderwijs 
Ontdekkend leren
Ontdekkend leren: uitleg - kenmerken - stappenplan
Arja Kerpel
De lerende school
De vijf disciplines als basis voor boeiend onderwijs
Jan Jutten
Systeemdenken en denkgewoonten
Systeemdenken in de klas - Systeemdenken en denkgewoonten
Jan Jutten
IQ onderzoek
IQ onderzoek: een introductie
Lisanne van Nijnatten
Denken in beelden
Denken in beelden
Arja Kerpel










Leerstijlen
Heeft een didactische aanpak gebaseerd op cognitieve voorkeuren van leerlingen effect op de leesvaardigheid (begrijpend lezen...
Onderzoekende houding leraren
Hoe bevorder je een onderzoekende houding in het voortgezet onderwijs?
Creativiteitsontwikkeling
Welke factoren geven inzicht in de ontwikkeling van het creatief denken van leerlingen?
Gebruik en nut van theorie over Meervoudige Intelligentie (MI)
Inzet van theorie over Meervoudige Intelligentie: werkt dat?
Opdrachtgestuurd leren
Differentiatie in de klas middels opdrachtgestuurd leren
Onderzoekend leren
Ondersteuning voor onderzoekend leren bij kinderen en adolescenten reviewstudie
Onderzoekend leren rol docent
De rol van de docent bij onderzoekend leren door leerlingen in de klas reviewstudie
TEST
[extra-breed-algemeen-kolom2]




Gebruik en nut van theorie over Meervoudige Intelligentie (MI)

Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.