Keuzevrijheid van ouders bij het onderwijs voor kinderen met beperkingen

Geplaatst op 1 juni 2016

Managementsamenvatting

1 Achtergronden

Op grond van de Regeling leerlinggebonden financiering (LGF) kunnen ouders van kinderen met ernstige beperkingen na een indicatiestelling kiezen tussen regulier onderwijs of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. De indicatiestelling gebeurt door de Commissie voor Indicatiestelling (CvI). De CvI’s beantwoorden de vraag of een aangemelde leerling in aanmerking komt voor speciale onderwijszorg.

Ouders dienen hun kind zelf aan te melden bij de CvI van het cluster dat gezien de aard van de handicap van het kind in aanmerking komt, en moeten daarbij zorg dragen voor een volledig ingevuld aanmeldingsformulier, inclusief een aantal verplichte documenten. Welke informatie moet worden aangeleverd is landelijk vastgesteld. Naast de hulpvraag van het kind, zijn dit medische, psychologische of logopedische rapporten, al naar gelang de schoolsoort waarvoor een indicatie wordt aangevraagd. Als het kind al naar school gaat, hoort ook het onderwijskundig rapport van de school van herkomst erbij.

Tegen een negatieve beslissing van de CvI kunnen ouders bezwaar aantekenen. Bij een positieve beslissing van de CvI over de toelaatbaarheid van een leerling kan de ouder zelf kiezen voor zorg in het speciaal onderwijs of voor zorg in het regulier onderwijs via een leerlinggebonden budget. Wanneer de leerling geplaatst kan worden op de door de ouders gekozen school, moet in overleg met de ouders een handelingsplan worden opgesteld. In het plan staan de doelstellingen ten aanzien van de betreffende leerling, de daartoe gevolgde werkwijze en de maatregelen die men treft. Ouders en school ondertekenen het plan.

2 Onderzoeksvragen

1. Welke positie nemen ouders in bij de indicatieprocedure voor speciale onderwijszorg? Welke informatie en ondersteuning hebben zij bij de schoolkeuze, en I hoe maken zij hun keuzen? Welke rol spelen zij bij de handelingsplannen?Welke problemen ervaren ouders bij de onderwijskeuze en maken zij daarbij gebruik van de ondersteunings- (onderwijsconsulenten) en beroepsmogelijkheden (ACTB)? Zijn er verschillen tussen groepen ouders, wat betreft REC-cluster, opleidingsniveau en schoolsoort?
2. Welke factoren zijn in andere landen van belang gebleken bij betrokkenheid van ouders van leerlingen met beperkingen?

3 Onderzoeksopzet

De CvI’s van alle 36 REC´s is gevraagd uitnodigingen tot deelname aan het onderzoek door te zenden aan de ouders. Ouders die wilden deelnemen konden een antwoordformulier inzenden met de gegevens die nodig waren om de ouders rechtstreeks te kunnen benaderen. Het aantal uitnodigingsbrieven dat elke CvI verzond werd afgestemd op de omvang van de betreffende REC’s, dat wil zeggen het aantal leerlingen per REC dat een school voor speciaal onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs bezocht, of ambulant begeleiding kreeg vanuit een school voor speciaal onderwijs binnen het betreffende REC. De CvI’s is gevraagd de uitnodigingen te verspreiden onder de ouders die een indicatiebeslissing ontvangen hebben naar aanleiding van de vergaderingen in de periode tussen 1 augustus en 1 december 2005.

Met ouders afkomstig van 28 REC’s zijn interviews gehouden. De verdeling van de REC’s over de verschillende clusters blijkt bij de participerende REC’s ongeveer gelijk aan die van de verdeling van het aantal functionerende REC’s. Van de 790 benaderingsbrieven stuurden 354 ouders (45%) het antwoordformulier tijdig in. Daarvan gaven er 98 (28%) aan niet bereid te zijn tot deelname. De ouders die zich bereid verklaard hadden zijn gebeld voor een telefonisch interview. Uiteindelijk zijn 211 interviews gerealiseerd. Van de (potentieel) benaderde ouders heeft dus 27% geparticipeerd (wellicht is dit een onderschatting, omdat niet gecontroleerd kon worden of de CvI´s alle brieven verspreid hebben), van de ouders die zich bereid verklaard hadden is met 82% een interview gehouden. Controle op de representativiteit van de steekproef heeft plaatsgevonden door vergelijking van de verdeling van de onderzoeksgroep met die in de populatie in het schooljaar 2005/2006 wat betreft een aantal kenmerken zoals de verdeling over de REC-clusters, eerste en herindicaties per REC-cluster, en het aantal positieve indicaties. In dit opzicht was sprake van een representatieve steekproef. Van de verdeling van achtergrondkenmerken van de respondenten, zoals opleidingsniveau, etniciteit, of woonplaats zijn geen populatiegegevens bekend zodat in dit opzicht geen uitspraken over de representativiteit gedaan kunnen worden.

Enquête

Voor de enquête is een vragenlijst ontwikkeld op grond van het KFO-onderzoek, oktober 2000; onderzoek van Vogels, 2002; Herweijer & Vogels, 2004; Walraven & Andriessen, 2004; en Vergeer et al, 2004. De volgende onderwerpen zijn bevraagd: aanmelding en indicatiestelling; keuze van onderwijssoort; schoolkeuzemotieven; vrijheid van keuze; attitude ten aanzien van rollen van ouders in het onderwijs; oordelen over het onderwijs en over de mogelijkheden invloed uit te oefenen op het onderwijs; oordelen over de eigen deskundigheid van de ouders en de mate waarin deze serieus genomen werd in de procedure en in het onderwijs. De gegevens voor de enquête zijn verzameld in telefonische interviews. De dataverzameling heeft plaatsgevonden in de periode die liep van medio juni tot begin oktober 2006.

Verdiepende studie

Uit de groep ouders die bereid was tot een aanvullend interview zijn aselect 50 ouders geselecteerd. Helaas waren er geen ouders die buiten Nederland geboren waren, of die ervaring hadden met de onderwijsconsulenten of de ACTB, bereid tot een verdiepend interview. Er is gebruik gemaakt van een interviewleidraad, waarbij ouders in eigen woorden hun ervaringen konden vertellen rond de geselecteerde thema’s. In de verdiepende studie is vooral naar achtergronden gevraagd, waarbij de eigen inbreng en de ruimte die er was voor de eigen deskundigheid van de ouders centraal stond. De volgende thema’s zijn in de vorm van open vragen aan de orde gesteld: indicatiestelling; afwegingen bij het kiezen van een school; mate waarin ideeën van de ouders over schoolsoort serieus genomen werden; proces van schoolkeuze; ervaringen met het onderwijs; gewenste rol van de ouder in het onderwijs van een kind met een beperking; betrokkenheid bij het vormgeven aan het onderwijs; inschatting ouder van eigen deskundigheid in het contact met school over het onderwijs; toereikendheid van de geboden ondersteuning die het kind krijgt bij het onderwijs; tevredenheid over het onderwijs van het kind; mogelijke positieve of negatieve neveneffecten van de indicatie; belang dat gehecht wordt aan invloed op verschillende elementen van de procedure en het onderwijs. Afhankelijk van de voorkeur van de ouders zijn de verdiepende interviews bij de ouders thuis afgenomen of in de vorm van een telefonisch interview. Met één gezin bleek het niet mogelijk een afspraak te maken binnen de periode die voor de interviews beschikbaar was, zodat uiteindelijk 49 interviews gerealiseerd zijn. In totaal zijn 20 interviews thuis gehouden en 29 telefonisch. De dataverzameling vond plaats in de maand november 2006.

ACTB

De vraag naar gegevens over de bemiddeling door onderwijsconsulenten en ACTB zijn verzameld op grond van het jaarverslag 2005/2006 van de ACTB. Tevens is nagegaan voor hoeveel leerlingen de onderwijsconsulenten of de ACTB ingeschakeld wordt.

Literatuurstudie

Aan de hand van een literatuurstudie is onderzocht welke mogelijkheden en problemen in de internationale literatuur genoemd worden rond betrokkenheid van ouders. Hierbij is gebruik gemaakt van wetenschappelijke onderzoeksliteratuur, van sociaal-wetenschappelijke databanken, websites van ministeries, en belangenorganisaties van ouders.

4 Voornaamste bevindingen en implicaties voor beleid

Indicatieprocedure

Rond het aanvragen van de indicatie voor speciale onderwijszorg blijkt dat de ouders redelijk tevreden zijn over de indicatieprocedure, al is de tevredenheid over het voortraject iets geringer dan die over de werkzaamheden van de CvI´s. Ouders krijgen bij de indicatieprocedure hulp van scholen, behandelaars en hulpverleners, en van het REC, en de meeste ouders zijn tevreden over de hulp. Het huidige beleid rond de indicatiestelling voor speciale onderwijszorg lijkt voor deze doelgroep geen grote problemen op te leveren.

Keuzevrijheid van onderwijs

Na een positieve beslissing van de CvI over de toelaatbaarheid van een leerling tot speciale onderwijszorg kunnen ouders zelf kiezen voor zorg in het speciaal onderwijs of voor zorg in het regulier onderwijs in de vorm van een leerlinggebonden budget. Uit dit onderzoek is gebleken dat de keuzevrijheid vooral ingeperkt wordt door de aard van de beperkingen van het kind, en door het beschikbare aanbod. Als de beperkingen te groot zijn is regulier onderwijs volgens de ouders geen optie meer. Dit maakt duidelijk dat het bestaan van een separaat systeem van speciaal onderwijs van belang is om ouders de vrijheid te bieden te kiezen voor deze onderwijsmogelijkheid. Daarnaast lijkt het onderzoek duidelijk te maken dat de keuzemogelijkheid binnen het huidige aanbod te beperkt is, ouders zien voor- en nadelen aan zowel regulier als speciaal onderwijs. Het voorgenomen beleid rond de vernieuwing van de zorgstructuren lijkt daarom positief voor ouders: het beleid zou kunnen leiden tot een verbreding van het aanbod met meer tussenvormen. Voor ouders zou dit kunnen betekenen dat er onderwijsvormen ontstaan waarin de voordelen van speciaal en regulier onderwijs gecombineerd kunnen worden.

Bijna 20% van de ouders zegt te maken gehad te hebben met formele of informele weigeringen van scholen voor gewoon onderwijs het kind toe te laten. Het argument daarvoor is meestal de beperking van het kind en de zorg die de school kan bieden. Hoewel dus een deel van de ouders te maken heeft gehad met weigering van scholen en niet alle leerlingen geplaatst werden op de school die de voorkeur had, blijkt een groot deel van de ouders tevreden met de school waar de leerling uiteindelijk geplaatst is, zowel wat betreft de keuze van de schoolsoort als het onderwijs dat het kind krijgt. Een deel van de zorgen vooraf wordt dus in de praktijk van het onderwijs weggenomen. De onbekendheid met hetgeen onderwijs kan bieden is groter voor het speciaal onderwijs dan voor het regulier onderwijs. Ouders geven aan dat zij speciaal onderwijs niet als mogelijkheid beschouwd hebben omdat zij onvoldoende wisten van de onderwijssoort. Ook speelt een rol dat het vaak niet mogelijk is scholen voor speciaal onderwijs te bezoeken voordat er een positieve indicatie is. Uit het bovenstaande blijkt dat de keuzevrijheid in de praktijk nog belemmerd wordt. In het regulier onderwijs is weigering leerlingen toe te laten een belangrijke reden, in het speciaal onderwijs het bestaan van wachtlijsten. Bij beide schoolsoorten, maar in sterkere mate in het speciaal onderwijs, wordt de keuzevrijheid beperkt door ontoereikendheid van de beschikbare informatie.
In dit verband lijkt het voor het beleid vooral van belang dat ouders en scholen in een vroeg stadium zicht krijgen op het soort onderwijszorg dat het kind nodig heeft en op hetgeen de school in dit opzicht kan bieden. Deze afstemming tussen behoeften en mogelijkheden zou vergemakkelijkt kunnen worden door in de indicatiebeschikking de onderwijsbehoefte van de leerling centraal te stellen en concreet te formuleren in termen van wat voor onderwijszorg noodzakelijk is. Daarmee krijgen de ouders een duidelijker beeld van de condities waaronder hun kind onderwijs kan krijgen, en scholen kunnen beter inschatten of zij de gevraagde onderwijszorg kunnen realiseren. Uit de literatuur bleek dat hierdoor de kans op afwijzing door scholen voor gewoon onderwijs verkleind kan worden.

Niet voor alle groepen leerlingen blijkt integratie in het regulier onderwijs een optie, de literatuur laat zien dat integratie gemakkelijker is voor jonge kinderen dan voor oudere, en voor kinderen met fysieke of verstandelijke beperkingen gemakkelijker is dan voor kinderen met gedragsproblemen. Ook in traditionele integratielanden blijken er grenzen te zijn aan de mogelijkheden van integratie. Voor het beleid betekent dit dat de voorlichting aan ouders op dit punt verbeterd zou kunnen worden. Het recht op keuze betekent niet automatisch een recht op plaatsing. Welke onderwijsvorm in de praktijk haalbaar is hangt mede af van de mogelijkheden van het individuele kind, van de grenzen aan de zorg die de ontvangende school kan bieden, en van de belangen en het recht op goed onderwijs van de leerlingen zonder beperkingen.

Uit de verdiepingsstudie bleek dat met name in het voortgezet onderwijs een indicatiebeschikking niet altijd betekent dat er ook speciale onderwijszorg geboden wordt. Controle hierop is uiteraard noodzakelijk, maar daarnaast lijkt het ook van belang dat scholen de kans benutten van elkaars ervaringen met de opvang van zorgleerlingen te leren: welke hulp is mogelijk en gewenst en hoe kan dat het beste georganiseerd worden binnen de school?

Betrokkenheid van ouders bij het onderwijs

Bij de betrokkenheid bij het overleg over het handelingsplan of over de aanpak van het onderwijs, blijken de ouders niet zo´n grote inbreng te hebben maar daar wel tevreden mee te zijn. Wellicht kan een onderscheid in soorten deskundigheid die nodig of bruikbaar zijn in de verschillende fasen van indicatiestelling en beslissingen over onderwijs duidelijkheid bieden voor ouders en scholen. Een aantal ouders in de verdiepingsstudie maakte bijvoorbeeld nadrukkelijk onderscheid in deskundigheid over onderwijsinhoudelijke zaken en deskundigheid ten aanzien van de beperking. Deze ouders vinden dat de beslissingen over het onderwijs zelf bij de school gelaten moeten worden, en dat hun eigen inbreng moet bestaan uit de specifieke deskundigheid op het terrein van de beperking.

Het feit dat er in de regelgeving of in de uitvoeringspraktijk geen duidelijk definitie is van het begrip betrokkenheid creëert onduidelijkheid over de wederzijdse verwachtingen tussen ouders en school. Uit het onderzoek blijkt dat ouders vaardigheden van leerkrachten om te communiceren met ouders en de bereidheid van scholen tot luisteren naar ouders veel belangrijker vinden dan daadwerkelijke betrokkenheid. Voor het beleid rond ouderbetrokkenheid is het daarom van belang dat scholen duidelijk formuleren wat zij verstaan onder ouderbetrokkenheid, wat zij hierbij verwachten van ouders en wat hun eigen rol is in het tot stand brengen van een goed contact met ouders. 

Details van het onderzoek

  
NWO-projectnummer:  413-04-015
Titel onderzoeksproject:  Invloed van ouders op het onderwijs voor hun kind binnen de Leerlinggebonden Financiering
Looptijd:15-03-2005 tot 04-07-2007

Projectleider(s)

Naam Instelling E-mail
Dr. M.M. Vergeer Universiteit van Amsterdam M.M.Vergeer@uva.nl

Publicatie(s)

Relevante links(s)

[Bron: Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO)]

Stel je onderwijsvraag

Wandelen voor water

Kwink op school

Leerlingen met dyslexie

Academica Business College

Veilig vuurwerk

Keuzevrijheid



Inschrijven nieuwsbrief


Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.