Ouderlijk opleidingsniveau en onderwijsachterstanden van kinderen

Geplaatst op 1 juni 2016

Het belangrijkste doel van dit onderzoek was na te gaan of het opleidingscriterium in de gewichtenregeling nog wel voldoet nu het opleidingsniveau in Nederland gestaag stijgt. Door het hogere opleidingsniveau van de ouders zijn er steeds minder gewichtenleerlingen waardoor scholen vanuit de gewichten- en impulsregeling minder budget krijgen om onderwijsachterstanden te bestrijden. Veel scholen vinden dat onrechtvaardig omdat naar hun idee de achterstand van de leerlingen niet is veranderd.

Uit de in dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat de relatie tussen het opleidingsniveau van de ouders en de (relatieve) prestaties van de kinderen weinig is veranderd. De prestaties van autochtone kinderen zonder gewicht zijn gemiddeld genomen nog steeds hoger dan die van de gewichtenleerlingen. Dat was in 1995 zo, en is 2011 nog steeds het geval. Wat sinds 1995 ook niet is veranderd is het feit dat de etnische herkomst van de ouders een belangrijke rol speelt bij de prestaties van de kinderen.
In de gewichtenregeling wordt uitgegaan van het hoogste opleiding binnen het gezin. Een van de conclusies in dit rapport is dat het opleidingsniveau van de andere ouder ook veel bijdraagt aan de prestaties van de kinderen. De combinatie van het opleidingsniveau van beide ouders is dus een betere voorspeller van de prestaties, waar ook in de gewichtenregeling wellicht rekening mee gehouden zou moeten worden.

Deze tekst is overgenomen uit de samenvatting van het eindrapport ‘Ouderlijk opleidingsniveau en onderwijsachterstanden van kinderen'; zie bij Publicatie(s) hieronder.

Dit onderzoek is onderdeel van het onderzoeksproject over onderwijsachterstandenbeleid op voorschool en basisschool; zie bij ‘Gerelateerde projecten’ hieronder.

Managementsamenvatting 

De sterke samenhang tussen het opleidingsniveau van de ouders en de prestaties van hun kinderen is het fundament waarop het achterstandenbeleid is gebouwd. Zowel de gewichtenregeling als de impulsgelden worden daarom toegekend op basis van opleidingsniveau van de ouders. Dat opleidingsniveau stijgt echter gestaag. Door de verbeterde aansluiting tussen de onderwijssoorten, het feit dat jongeren vaker kiezen voor hogere onderwijssoorten, en de groei van het aantal gediplomeerden, is het aandeel lager opgeleiden de laatste jaren afgenomen en het aandeel hbo/wo-opgeleiden toegenomen (Ministerie van OCW, Trends in beeld, 2014). 

Als de relatie tussen opleidingsniveau van de ouders en de prestaties van hun kinderen in de loop van de tijd ongewijzigd is gebleven, zou een stijging van het opleidingsniveau tot gevolg hebben dat de prestaties van de kinderen ook verbeteren en dat er daardoor minder onderwijsachterstanden zijn. Maar als de relatie tussen het opleidingsniveau en prestaties in de loop van de tijd minder sterk is geworden, kan het gevolg zijn dat het opleidingsniveau van de ouders is gestegen zonder dat de achterstand van hun kinderen is afgenomen. Het aandeel leerlingen zonder gewicht neemt dan weliswaar af, maar het aandeel kinderen met een achterstand blijft gelijk. Scholen krijgen dan minder geld voor achterstandsbestrijding, terwijl de achterstanden feitelijk even groot zijn gebleven. Uit het BOPO-onderzoek naar de hardnekkige achterstand van de autochtone achterstandsleerlingen (Mulder e.a., 2014) lijkt dit idee op veel scholen te leven. In interviews die in het kader van dat onderzoek zijn afgenomen werd regelmatig opgemerkt dat het aandeel gewichtenleerlingen was afgenomen omdat meer ouders een opleiding op mbo-niveau hadden gevolgd, maar dat de achterstand van de leerlingen nog steeds even groot was. Volgens de betreffende directeuren kregen ze minder geld, terwijl de problematiek hetzelfde was gebleven. 

Om zicht te krijgen op de gevolgen van het stijgende opleidingsniveau van de ouders voor de prestaties van de kinderen is in dit rapport, opdracht van de BOPO-commissie van NWO, nagegaan hoe de relatie tussen opleidingsniveau en prestaties zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld. Zijn de achterstanden van leerlingen daadwerkelijk kleiner zijn geworden als gevolg van het hogere opleidingsniveau van de ouders? En als dat niet het geval is, kloppen de in de gewichtenregeling gehanteerde criteria met betrekking tot het opleidingsniveau van de ouders nog wel?

De kernvragen in dit rapport luiden:

  • Hoe heeft het opleidingsniveau van ouders van basisschoolleerlingen zich tussen 1995 en 2011 ontwikkeld?
  • Hoe heeft de relatie tussen het opleidingsniveau van de ouders en prestaties van hun kinderen zich in die periode ontwikkeld?
  • Hoe verhouden de prestaties van de kinderen zich tot de criteria voor de huidige gewichtenregeling?

Voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen zijn analyses uitgevoerd op de data van het PRIMA-onderzoek in 1995, 1999 en 2003, en van het COOL5-18 –onderzoek in 2008 en 2011. Er is gebruikt gemaakt van de beschikbare informatie over het opleidingsniveau en de etnische herkomst van de ouders en de taal- en rekenprestaties van hun kinderen in groep 2 en groep 8. 

De ontwikkeling van de relatie opleidingsniveau ouders en prestaties kinderen 

De PRIMA- en COOL-data in de periode 1995-2011 bevestigen dat het opleidingsniveau in Nederland is gestegen. Het aandeel ouders met lager (beroeps)onderwijs als hoogst genoten opleidingsniveau is in die periode afgenomen, en het aandeel dat hoger onderwijs heeft gevolgd is gestegen. Bij allochtone ouders is het percentage ouders met als hoogste opleiding maximaal lager onderwijs in die periode zelfs gehalveerd: van 32,8 naar 16,3.

In de hele periode 1995-2011 is er sprake van een samenhang tussen opleidingsniveau van de ouders en de prestaties van de kinderen: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe hoger de taal- en rekenscores van hun kinderen. Bij gelijk opleidingsniveau scoren de autochtone leerlingen beduidend beter dan de allochtone leerlingen. Niet alleen de hoogste opleiding in het gezin blijkt een rol te spelen, maar ook of beide ouders deze hoogste opleiding hebben genoten, of dat de andere ouder een lager opleidingsniveau heeft bereikt. In het laatste geval is de score van hun kinderen namelijk lager. Verder maakt het ook uit of de moeder dan wel de vader de hoogste opleiding heeft genoten. In veel gevallen is de gemiddelde score hoger als de moeder de hoogste opleiding heeft gevolgd.

De toetsscores van de in PRIMA en COOL gebruikte toetsen zijn niet zondermeer vergelijkbaar. Om de scores over de jaren heen toch met elkaar te kunnen vergelijken, zijn in dit rapport relatieve scores in de vorm van percentielscores gebruikt. Percentielscores geven de relatieve positie (rang) qua vaardigheid taal en rekenen weer. Dat maakte het echter lastig om ontwikkelingen in prestaties van leerlingen vast te stellen. Vanwege de stijging van het opleidingsniveau van de ouders verandert de omvang v van de opleidingscategorieën namelijk en dat werkt direct door op de gemiddelde percentielscores. Een negatieve tendens kan dan bijvoorbeeld betekenen dat de gemiddelde prestaties zijn gedaald, maar het kan ook een gevolg zijn van het feit dat de groep groter is geworden. Dat speelt vooral bij de hoogste opleidingscategorieën. De in dit rapport gepresenteerde trends moeten daarom met de nodige voorzichtigheid worden bekeken. Wat we wel met zekerheid kunnen vaststellen is dat de allochtone leerlingen van ouders met maximaal lager onderwijs sinds 1995 zowel op taal als op rekenen veel beter zijn gaan presteren. 

Hoe verhouden de prestaties van de kinderen zich tot de criteria voor de huidige gewichtenregeling? 

De belangrijkste vraag in dit rapport is of, met het gestaag stijgen van het opleidingsniveau van de ouders, de opleidingscriteria in de gewichtenregeling nog wel kloppen. Om daar zicht op te krijgen zijn de prestaties van leerlingen die geen gewicht krijgen vergeleken met die van de gewichtenleerlingen, waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt naar (24) verschillende combinaties van opleidingsniveau van de ouders.

De conclusie is dat de autochtone leerlingen zonder gewicht in groep 2 en in groep 8 bij vrijwel alle opleidingscombinaties op taal en rekenen nog steeds hoger scoren dan de gewichtenleerlingen (met uitzondering van twee categorieën met zeer weinig leerlingen). Het feit dat het opleidingsniveau van de ouders is gestegen, heeft er (nog) niet toe geleid dat de criteria van de gewichtenregeling zouden moeten worden herzien. Daarbij maken we wel de kanttekening dat het mbo in dit onderzoek als één opleidingscategorie is beschouwd, terwijl volgens scholen juist leerlingen van ouders met een mbo1,2-opleiding hetzelfde of zwakker presteren dan leerlingen van ouders met maximaal een vmbo-opleiding (Mulder, e.a. 2014). Het was daarom wenselijk geweest als de opleidingscategorie mbo uitgesplitst had kunnen worden naar mbo1,2 en mbo3,4. Helaas was die informatie in dit onderzoek niet beschikbaar.

De allochtone leerlingen zonder gewicht scoren in groep 2 daarentegen bij taal en rekenen op hetzelfde niveau of lager dan de 0,3- en/of 1,2-leerlingen. Dat geldt voor alle opleidingscombinaties, uitgezonderd de rekenprestaties van leerlingen van wie de ouders allebei een hbo- of wo-opleiding hebben. Dit beeld zien we niet alleen in 2011, maar ook in de periode 1999-2008. Dat betekent dat de relatief lage prestaties van de leerlingen zonder gewicht niets te maken hebben met de stijging van het opleidingsniveau, maar het gevolg is van het feit dat naast opleidingsniveau ook etniciteit een groot effect heeft op de prestaties van de kinderen.

In tegenstelling tot groep 2 zijn er bij de allochtone leerlingen zónder gewicht in groep 8 nauwelijks opleidingscombinaties waarbij de gemiddelde rekenscores op of onder het niveau liggen van die van de gewichtenleerlingen. Bij taal komt dat wel vaker voor, maar ook hier veel minder dan in groep 2. 

Conclusie 

Het belangrijkste doel van dit rapport was na te gaan of het opleidingscriterium in de gewichtenregeling nog wel voldoet nu het opleidingsniveau in Nederland gestaag stijgt. Door het hogere opleidingsniveau van de ouders zijn er steeds minder gewichtenleerlingen waardoor scholen vanuit de gewichten- en impulsregeling minder budget krijgen om onderwijsachterstanden te bestrijden. Veel scholen vinden dat onrechtvaardig omdat naar hun idee de achterstand van de leerlingen niet is veranderd.

Uit de in dit rapport gepresenteerde resultaten kan worden geconcludeerd dat de relatie tussen het opleidingsniveau van de ouders en de (relatieve) prestaties van de kinderen weinig is veranderd. De prestaties van autochtone kinderen zonder gewicht zijn gemiddeld genomen nog steeds hoger dan die van de gewichtenleerlingen. Dat was in 1995 zo, en is 2011 nog steeds het geval. Wat sinds 1995 ook niet is veranderd is het feit dat de etnische herkomst van de ouders een belangrijke rol speelt bij de prestaties van de kinderen. Dat blijkt ook nu weer uit het feit dat allochtone kinderen zonder gewicht in groep 2 bij veel opleidingscombinaties van de ouders (ook met hoger opgeleide ouders) op hetzelfde niveau of zelfs lager scoren dan de 0,3-gewichtenleerlingen en bij een aantal combinaties ook lager dan de 1,2-leerlingen. Dat de gewichten in groep 8 veel beter corresponderen met de prestaties van de allochtone leerlingen dan in groep 2 kan erop wijzen dat het effect van etniciteit gedurende het basisonderwijs kleiner wordt. Maar dat kunnen we op basis van onze gegevens niet met zekerheid vaststellen, omdat groep 2 en groep 8 twee verschillende cohorten zijn (met bijvoorbeeld een andere samenstelling naar herkomstland) die niet zondermeer met elkaar vergeleken kunnen worden.

In de gewichtenregeling wordt uitgegaan van het hoogste opleiding binnen het gezin. Een van de conclusies in dit rapport is dat het opleidingsniveau van de andere ouder ook veel bijdraagt aan de prestaties van de kinderen. De combinatie van het opleidingsniveau van beide ouders is dus een betere voorspeller van de prestaties, waar ook in de gewichtenregeling wellicht rekening mee gehouden zou moeten worden. 

Details van het onderzoek

  
NWO-projectnummer:  413-12-017-b
Titel onderzoeksproject:  Van voorschools tot en met groep 8: thema's uit het onderwijsachterstandenbeleid onderzocht
Looptijd:01-06-2013 tot 06-02-2015

Projectleider(s)

Naam Instelling E-mail
Drs. G. Ledoux Universiteit van Amsterdam gledoux@kohnstamm.uva.nl

Projectuitvoerder(s)

Naam Instelling E-mail
Lia Mulder Radboud Universiteit Nijmegen l.mulder@its.ru.nl
Geert Driessen Radboud Universiteit Nijmegen g.driessen@its.ru.nl
Daan Fettelaar Radboud Universiteit Nijmegen d.fettelaar@its.ru.nl

Publicatie(s)

Relevante links(s)

Gerelateerde projecten

[Bron: Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO)]

Stel je onderwijsvraag

Wandelen voor water

Kwink op school

Leerlingen met dyslexie

Academica Business College

Veilig vuurwerk

Ouderlijk opleidingsniveau



Inschrijven nieuwsbrief


Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.