Thuiszitten: leerplichtige leerlingen zonder onderwijs

Geplaatst op 1 juni 2016

Dit onderzoek gaat over hoeveel leerplichtige leerlingen niet deelnemen aan onderwijs, welke kenmerken ze hebben en wat de oorzaken zijn. Leerlingen die twee maanden of langer van school verzuimen worden thuiszitters genoemd. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de landelijke cijfers met betrekking tot aantallen verzuimde leerlingen van het Cfi, CBS-gegevens over aantallen leerplichtige leerlingen en gegevens van een survey onder de leerplichtafdelingen van de Nederlandse gemeenten met vragen die het verzuim nader specificeren. Daarnaast zijn een zestal dieptestudies uitgevoerd bij gemeenten die verschillen in urbaniciteit (van zeer kleine gemeenten met minder dan 10.000 inwoners tot en met de grote steden). Hieraan voorafgaand zijn bij twee gemeenten pilot-studies verricht en zijn een groot aantal jaarverslagen van de leerplichtafdelingen bestudeerd om dit veld beter te leren kennen en de vragenlijst te construeren.
Uit gegevens van het Cfi over het schooljaar 2003-2004 blijkt dat het absolute verzuim (leerplichtige staat niet bij een school ingeschreven) 0.03 procent van de populatie leerplichtige leerlingen is en het relatieve verzuim (al het overige verzuim) 1.7 procent. Op landelijk niveau zijn er gedurende het schooljaar ongeveer 50.000 leerlingen waarvan er een verzuimmelding aan de leerplichtambtenaar wordt doorgegeven. Van het absoluut verzuim blijkt op basis van cijfers uit een vragenlijst bij gemeenten dat 18-43% twee maanden of langer duurt. Van het relatief verzuim is dit 4-14%. Landelijk betekent dit dat 5-10% van het totale verzuim twee maanden of langer duurt. Per schooljaar kunnen 2500 à 5000 leerlingen in Nederland thuiszitter genoemd worden. Uit het vragenlijstonderzoek bij gemeenten en enkele dieptestudies blijkt dat per schooljaar ongeveer 10% van het thuiszitten wordt veroorzaakt door wachtlijsten bij het speciaal onderwijs.
Als oorzaak voor het thuiszitten wordt door leerplichtambtenaren redelijk vaak de procedure rond de indicatie-stelling genoemd. Deze zou te lang duren en omgeven zijn met een ingewikkelde bureaucratie. Daarnaast geven leerplichtambtenaren aan dat leerlingen die de LGF-indicatie uiteindelijk niet krijgen, nauwelijks te plaatsen zijn (waardoor deze leerlingen thuis zitten). Onderzocht moet worden hoe de bestaande procedure rond indicatie-stelling kan worden vereenvoudigd en versneld. Mogelijk kan een aanzet hiertoe gevonden worden in het onlangs uitgevoerde Bopo-onderzoek: “Functionele indicatiestelling: internationale literatuurstudie” (van der Aalsvoort & Eendhuizen, 2005). Mogelijk kunnen de capaciteitsproblemen bij de benodigde diagnostiek worden opgelost door ook deskundigen uit andere -aan de GZ-psychologie verwante- disciplines toe te staan de diagnostiek te laten verrichten. Ook het aantal te verrichten diagnoses zou kunnen worden verlaagd door bij bepaalde groepen van geïndiceerde leerlingen de frequentie van de herindicaties (momenteel om de twee jaar) te verlagen. Absoluut verzuim is vaak het gevolg van administratieve fouten die gemaakt worden bij verhuizingen en schoolwisselingen. In de grote steden wordt absoluut verzuim soms veroorzaakt doordat ouders, veelal afkomstig uit arme landen, niet weten dat hun kind naar school moet.
In kleinere gemeenten wordt er minder verzuimd dan in grotere. De grote steden springen er qua schoolverzuim in negatieve zin uit. Hier is veel meer verzuim, maar er zijn ook meer middelen op dit probleem aan te pakken. Beleid dat er op gericht is om korte lijnen met het onderwijsveld te hebben lijkt het meest effectief te zijn. Dit kan ondermeer bereikt worden door de leerplichtambtenaren een deel van hun tijd op de scholen te laten werken. De melding van verzuim door scholen verbetert dan ook. Kleine gemeenten hebben mogelijk te weinig ‘volume’ om de functie van leerplichtambtenaar zinvol in te vullen. Mede daarom werken steeds meer gemeenten samen.
Op het VMBO wordt het meest verzuimd, veel meer dan op het HAVO/VWO. Vergeleken met het voortgezet onderwijs wordt er op het basisonderwijs vrij weinig verzuimd. Leerlingen aan het eind van de leerplichtige leeftijd verzuimen het vaakst en zitten het vaakst thuis, meestal omdat ze geen zin aan school of aan verder leren hebben. Deze leerlingen hebben vaak een slechte schoolloopbaan achter de rug en in hun omgeving heerst soms een anti-school cultuur (Finn, 1989). In veel gevallen zal het thuiszitten tot voortijdig schoolverlaten leiden. Voortijdige schoolverlaters hebben geen startkwalificatie en zijn daardoor kwetsbaar op de arbeidsmarkt.
Ongeveer 5000 verzuimers (dat is 10% van al het verzuim) worden geplaatst op een instelling of project zonder onderwijs. Voor veel kinderen op een kinder-dagcentrum (KDC) zijn onderwijsdoelstellingen moeilijk te realiseren, ze zijn hier op hun plaats. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke projecten gericht op de opvang van probleemleerlingen zoals de Time-out of Herstart projecten waar vaak geen expliciete onderwijsdoelstelling wordt nagestreefd. Vaak hebben ze ten doel de verzuimer weer voor school te motiveren. Op ROC’s ontstaan steeds meer opleidingen van een zeer laag niveau: er wordt soms wel gesproken van “niveau 0 opleidingen”. Het gevaar hiervan is dat probleemleerlingen met een steeds grotere onderwijsachterstand komen te zitten. Dit gevaar wordt in de door ons onderzochte grote stad erkend en heeft daar geleid tot de opheffing van projecten waar te weinig aandacht werd besteed aan onderwijs. Opvangprojecten moeten juist extra veel aandacht besteden aan onderwijs omdat probleemleerlingen veelal met een achterstand kampen, hetgeen juist een van de oorzaken van het thuiszitten is. Het is daarom de vraag of een groei van voorzieningen waar niet of nauwelijks onderwijs wordt gegeven een wenselijke trend is?  Onderwijsvoorzieningen voor deze probleemleerlingen hebben een dilemma: hoe moeten zij deze leerlingen, die afgeknapt zijn op school en leren, motiveren om hun achterstand in te lopen?
Verder is sprake van thuisonderwijs dat vaak genoemd wordt als gevolg van het feit dat er voor de levensvisie van ouders geen school in de buurt is. Het zou landelijk om zo’n 1000 leerlingen gaan waarvan een deel thuisonderwijs krijgt en een deel niet door de overheid bekostigd onderwijs volgt. Onduidelijk is of er ontheffing van de leerplicht wordt verleend en wat de kwaliteit van dit onderwijs is. Momenteel buigt de onderwijsinspectie zich over dit probleem. De te onderscheiden categorieën van thuiszitters zijn zeer divers te noemen: van tienermoeders, kinderen die niet van hun ouders naar school mogen tot leerlingen die op een wachtlijst staan. De lijst met redenen voor verzuim, de psycho-sociale achtergronden en de combinaties daarvan lijkt welhaast oneindig: “ieder geval is weer uniek”. Het grootste probleem bij het plaatsen van verzuimers is echter dat ze niet meer naar school willen. Leerplichtambtenaren worden naast wachtlijsten voor het speciaal onderwijs ook vaak geconfronteerd met wachtlijsten in de jeugdhulpverlening.
De verzuimmelding door scholen worden steeds beter, maar er zijn nog steeds behoorlijk wat scholen die verzuim niet of onzorgvuldig melden. Scholen lossen problemen liever intern op. Langdurig verzuim wordt vrijwel altijd aan leerplicht gemeld, maar dan is het soms te laat om een oplossing te vinden. Ook zijn er veel problemen met de digitale verzuimregistratie door leerplichtambtenaren. Vrijwel iedere gemeente heeft weer een ander systeem om verzuim te registreren. Een landelijk registratieformat wordt daarom aanbevolen. Hierbij moet worden nagegaan of de gegevens van scholen bij de Informatie Beheer Groep kunnen worden geïntegreerd.

Deze tekst is overgenomen uit de samenvatting van het eindrapport; zie bij Publicatie(s) hieronder.

Managementsamenvatting 

Dit onderzoek gaat over hoeveel leerplichtige leerlingen niet deelnemen aan onderwijs, welke kenmerken ze hebben en wat de oorzaken zijn. Leerlingen die twee maanden of langer van school verzuimen worden thuiszitters genoemd. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de landelijke cijfers met betrekking tot aantallen verzuimde leerlingen van het Cfi, CBS-gegevens over aantallen leerplichtige leerlingen en gegevens van een survey onder de leerplichtafdelingen van de Nederlandse gemeenten met vragen die het verzuim nader specificeren. Daarnaast zijn een zestal dieptestudies uitgevoerd bij gemeenten die verschillen in urbaniciteit (van zeer kleine gemeenten met minder dan 10.000 inwoners tot en met de grote steden). Hieraan voorafgaand zijn bij twee gemeenten pilot-studies verricht en zijn een groot aantal jaarverslagen van de leerplichtafdelingen bestudeerd om dit veld beter te leren kennen en de vragenlijst te construeren.
Uit gegevens van het Cfi over het schooljaar 2003-2004 blijkt dat het absolute verzuim (leerplichtige staat niet bij een school ingeschreven) 0.03 procent van de populatie leerplichtige leerlingen is en het relatieve verzuim (al het overige verzuim) 1.7 procent. Op landelijk niveau zijn er gedurende het schooljaar ongeveer 50.000 leerlingen waarvan er een verzuimmelding aan de leerplichtambtenaar wordt doorgegeven. Van het absoluut verzuim blijkt op basis van cijfers uit een vragenlijst bij gemeenten dat 18- 43% twee maanden of langer duurt. Van het relatief verzuim is dit 4-14%. Landelijk betekent dit dat 5-10% van het totale verzuim twee maanden of langer duurt. Per schooljaar kunnen 2500 à 5000 leerlingen in Nederland thuiszitter genoemd worden. Uit het vragenlijstonderzoek bij gemeenten en enkele dieptestudies blijkt dat per schooljaar ongeveer 10% van het thuiszitten wordt veroorzaakt door wachtlijsten bij het speciaal onderwijs.
Als oorzaak voor het thuiszitten wordt door leerplichtambtenaren redelijk vaak de procedure rond de indicatie-stelling genoemd. Deze zou te lang duren en omgeven zijn met een ingewikkelde bureaucratie. Daarnaast geven leerplichtambtenaren aan dat leerlingen die de LGF-indicatie uiteindelijk niet krijgen, nauwelijks te plaatsen zijn (waardoor deze leerlingen thuis zitten). Onderzocht moet worden hoe de bestaande procedure rond indicatie-stelling kan worden vereenvoudigd en versneld. Mogelijk kan een aanzet hiertoe gevonden worden in het onlangs uitgevoerde Bopo-onderzoek: “Functionele indicatiestelling: internationale literatuurstudie” (van der Aalsvoort & Eendhuizen, 2005). Mogelijk kunnen de capaciteitsproblemen bij de benodigde diagnostiek worden opgelost door ook deskundigen uit andere -aan de GZ-psychologie verwante- disciplines toe te staan de diagnostiek te laten verrichten. Ook het aantal te verrichten diagnoses zou kunnen worden verlaagd door bij bepaalde groepen van geïndiceerde leerlingen de frequentie van de herindicaties (momenteel om de twee jaar) te verlagen.
Absoluut verzuim is vaak het gevolg van administratieve fouten die gemaakt worden bij verhuizingen en schoolwisselingen. In de grote steden wordt absoluut verzuim soms veroorzaakt doordat ouders, veelal afkomstig uit arme landen, niet weten dat hun kind naar school moet.
In kleinere gemeenten wordt er minder verzuimd dan in grotere. De grote steden springen er qua schoolverzuim in negatieve zin uit. Hier is veel meer verzuim, maar er zijn ook meer middelen op dit probleem aan te pakken. Beleid dat er op gericht is om korte lijnen met het onderwijsveld te hebben lijkt het meest effectief te zijn. Dit kan ondermeer bereikt worden door de leerplichtambtenaren een deel van hun tijd op de scholen te laten werken. De melding van verzuim door scholen verbetert dan ook. Kleine gemeenten hebben mogelijk te weinig ‘volume’ om de functie van leerplichtambtenaar zinvol in te vullen. Mede daarom werken steeds meer gemeenten samen.
Op het VMBO wordt het meest verzuimd, veel meer dan op het HAVO/VWO. Vergeleken met het voortgezet onderwijs wordt er op het basisonderwijs vrij weinig verzuimd. Leerlingen aan het eind van de leerplichtige leeftijd verzuimen het vaakst en zitten het vaakst thuis, meestal omdat ze geen zin aan school of aan verder leren hebben. Deze leerlingen hebben vaak een slechte schoolloopbaan achter de rug en in hun omgeving heerst soms een anti-school cultuur (Finn, 1989). In veel gevallen zal het thuiszitten tot voortijdig schoolverlaten leiden. Voortijdige schoolverlaters hebben geen startkwalificatie en zijn daardoor kwetsbaar op de arbeidsmarkt.
Ongeveer 5000 verzuimers (dat is 10% van al het verzuim) worden geplaatst op een instelling of project zonder onderwijs. Voor veel kinderen op een kinder-dagcentrum (KDC) zijn onderwijsdoelstellingen moeilijk te realiseren, ze zijn hier op hun plaats. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke projecten gericht op de opvang van probleemleerlingen zoals de Time-out of Herstart projecten waar vaak geen expliciete onderwijsdoelstelling wordt nagestreefd. Vaak hebben ze ten doel de verzuimer weer voor school te motiveren. Op ROC’s ontstaan steeds meer opleidingen van een zeer laag niveau: er wordt soms wel gesproken van “niveau 0 opleidingen”. Het gevaar hiervan is dat probleemleerlingen met een steeds grotere onderwijsachterstand komen te zitten. Dit gevaar wordt in de door ons onderzochte grote stad erkend en heeft daar geleid tot de opheffing van projecten waar te weinig aandacht werd besteed aan onderwijs. Opvangprojecten moeten juist extra veel aandacht besteden aan onderwijs omdat probleemleerlingen veelal met een achterstand kampen, hetgeen juist een van de oorzaken van het thuiszitten is. Het is daarom de vraag of een groei van voorzieningen waar niet of nauwelijks onderwijs wordt gegeven een wenselijke trend is? Onderwijsvoorzieningen voor deze probleemleerlingen hebben een dilemma: hoe moeten zij deze leerlingen, die afgeknapt zijn op school en leren, motiveren om hun achterstand in te lopen?
Verder is sprake van thuisonderwijs dat vaak genoemd wordt als gevolg van het feit dat er voor de levensvisie van ouders geen school in de buurt is. Het zou landelijk om zo’n 1000 leerlingen gaan waarvan een deel thuisonderwijs krijgt en een deel niet door de overheid bekostigd onderwijs volgt. Onduidelijk is of er ontheffing van de leerplicht wordt verleend en wat de kwaliteit van dit onderwijs is. Momenteel buigt de onderwijsinspectie zich over dit probleem.
De te onderscheiden categorieën van thuiszitters zijn zeer divers te noemen: van tienermoeders, kinderen die niet van hun ouders naar school mogen tot leerlingen die op een wachtlijst staan. De lijst met redenen voor verzuim, de psycho-sociale achtergronden en de combinaties daarvan lijkt welhaast oneindig: “ieder geval is weer uniek”. Het grootste probleem bij het plaatsen van verzuimers is echter dat ze niet meer naar school willen. Leerplichtambtenaren worden naast wachtlijsten voor het speciaal onderwijs ook vaak geconfronteerd met wachtlijsten in de jeugdhulpverlening.
De verzuimmelding door scholen worden steeds beter, maar er zijn nog steeds behoorlijk wat scholen die verzuim niet of onzorgvuldig melden. Scholen lossen problemen liever intern op. Langdurig verzuim wordt vrijwel altijd aan leerplicht gemeld, maar dan is het soms te laat om een oplossing te vinden. Ook zijn er veel problemen met de digitale verzuimregistratie door leerplichtambtenaren. Vrijwel iedere gemeente heeft weer een ander systeem om verzuim te registreren. Een landelijk registratieformat wordt daarom aanbevolen. Hierbij moet worden nagegaan of de gegevens van scholen bij de Informatie Beheer Groep kunnen worden geïntegreerd. 

Details van het onderzoek

  
NWO-projectnummer:  413-04-006
Titel onderzoeksproject:  Leerlingen die niet deelnemen aan onderwijs
Looptijd:15-10-2004 tot 22-03-2006

Projectleider(s)

Naam Instelling E-mail
Dr. G.J. Harms Rijksuniversiteit Groningen g.j.harms@rug.nl

Publicatie(s)

Relevante links(s)

[Bron: Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO)]











Gerelateerd onderzoek

Thuiszitten leerplichtige leerlingen
Thuiszitten: leerplichtige leerlingen zonder onderwijs
Schrijf in voor de nieuwsbrief
[extra-breed-algemeen-kolom2]




Thuiszitten leerplichtige leerlingen



Inschrijven nieuwsbrief


Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.