Onderwijsachterstanden tussen 1988 en 2002

Geplaatst op 1 juni 2016

Op de vraag of het achterstandenbeleid sinds 1988 effect heeft gehad, kan op basis van dit rapport geen eenduidig antwoord worden gegeven. In de eerste plaats is het vanwege de vele wijzigingen die in die periode in het beleid en in het onderwijsveld hebben plaatsgevonden onmogelijk om de directe relatie te leggen tussen het beleid en de ontwikkeling van de prestaties van de leerlingen. In de tweede plaats hangt het antwoord af van de vraag wat het effect van het achterstandenbeleid had moeten zijn.
Wanneer het gaat om een verbetering van de prestaties en loopbanen van de doelgroepleerlingen, zouden de resultaten kunnen duiden op een positief effect. We hebben namelijk geconstateerd dat de taal- en rekenprestaties van álle leerlingen, ook die van de OAB-doelgroepleerlingen, tussen 1988 en 2002 zijn verbeterd. Maar als het gaat om reductie van sociale ongelijkheid, dan is er na 15 jaar OVB, GOA en OnderwijsKansenbeleid weliswaar sprake van een lichte vooruitgang bij de allochtone leerlingen, maar pakt het oordeel voor de autochtone doelgroepleerlingen minder positief uit. Omdat de prestaties van de 1.0+- én van de 1.9-leerlingen in de loop van het basisonderwijs méér vooruit zijn gaan dan die van de 1.25-leerlingen, is de positie van de autochtone doelgroep aan het eind van het basisonderwijs relatief gezien zwakker dan aan het begin. Dat was in 1988 al zo en daarin is in 2002 niets veranderd. Vooral voor de 1.25-leerlingen die nu nog steeds tot de OAB-doelgroepen behoren, is de situatie wat dat betreft ongunstig. Aan het eind van het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs zijn ze zelfs al door de 1.9-leerlingen ingehaald.
Hoewel de directe relatie met het beleid moeilijk te leggen is, kan wel worden gesteld dat 1.25-leerlingen tot nu toe weinig profijt van de beleidsmaatregelen hebben gehad en dat substantiële effecten derhalve ook niet verwacht konden worden. Het lage gewicht en de ingebouwde drempel in de gewichtenregeling zorgen er al jaren voor dat een groot deel van de autochtone doelgroepleerlingen in de praktijk niet of nauwelijks wordt gefaciliteerd.
Gezien de ongunstige onderwijspositie van de 1.25-leerlingen, lijkt de herijking van de gewichtenregeling waarbij het gewicht voor kinderen van laag opgeleide ouders omhoog gaat en de drempel omlaag, dan ook gerechtvaardigd.
Opvallend in dit verband is de bevinding dat de prestaties van leerlingen in plattelandsgemeenten niet lager zijn dan die van de autochtone achterstandskinderen in de rest van het land. Ze wijken niet af van het landelijk gemiddelde en zijn zelfs hoger dan die van 1.25-leerlingen in de G4 en G21. Dat is in tegenspraak met resultaten van eerder onderzoek, waarin werd geconcludeerd dat juist plattelandsgebieden te kampen hebben met een relatief grote achterstand. Onze wat afwijkende indeling van OAB-categorieën en gemeente-typen leiden blijkbaar tot een ander beeld. De verklaring moet worden gezocht in het opleidingsniveau van de ouders. In plattelandsgebieden zijn de ouders van 1.25-leerlingen gemiddeld genomen hoger opgeleid dan in de (middel)grote steden. Zo heeft in de G4 20% van de ouders van 1.25-leerlingen een opleidingsniveau van maximaal lager onderwijs; in de G21 is dat 14 procent en in de plattelandsgemeenten slechts 4 procent. Door het onderscheid tussen 1.25-leerlingen en 1.25-ex-leerlingen wordt impliciet voor het opleidingsniveau gecorrigeerd en treedt een verschuiving op in de relatieve positie. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat er geen onderscheid naar regio is gemaakt. De vraag of er verschillen zijn tussen de bijvoorbeeld Limburg, Zeeland en Drenthe is in dit rapport niet aan de orde gekomen.
Uit de opleidingsverschillen tussen de G4, G21 en het platteland is wel te voorspellen dat het voornamelijk kinderen in de (middel)grote steden zijn die in aanmerking komen voor het hogere nieuwe gewicht.
De afgelopen jaren heeft de nadruk in de achterstandsbestrijding gelegen op de vooren vroegschoolse educatie. Hoewel er nog geen eenduidige effecten van VVE zijn vastgesteld, blijkt uit dit onderzoek opnieuw dat inspanningen om achterstanden te bestrijden op jonge leeftijd moeten beginnen. Vooral bij allochtone kinderen werken achterstanden die zij aan het begin van het basisonderwijs al hebben sterk door op hun onderwijspositie aan het eind van het voortgezet onderwijs. Bij de autochtone kinderen kan niet worden volstaan met een aanpak in het begin van het basisonderwijs. Voor hen zijn er ook in de latere schoolloopbaan nog cruciale momenten waarop achterstanden worden vergroot. Dat zijn voornamelijk momenten waarop keuzes worden gemaakt, waarbij leerkrachten, leerlingen en ouders aan de voorzichtige kant gaan zitten. Van leerkrachten krijgen deze kinderen een gezien hun prestaties relatief laag advies, en zelf kiezen zij (en hun ouders) voor een lager schooltype dan ze wellicht aan zouden kunnen. Lage verwachtingen en ambities spelen op dit cruciale moment bij de 1.25-leerlingen blijkbaar nog steeds een grote rol. Het ziet er naar uit dat de overgang van basis- naar voortgezet onderwijs een moment is waarop capaciteiten van de 1.25-leerlingen worden onderbenut.
Zorgwekkend is dat het aantal leerlingen dat in het voortgezet onderwijs extra zorg nodig heeft, sinds 1988 is verdubbeld. Het zijn vooral de OAB-doelgroepleerlingen die de groei in het op de individuele leerlingen gerichte onderwijs (vmbo-pro en -lwoo, voorheen ivbo) veroorzaken. Onduidelijk is of die groei wordt veroorzaakt door een daadwerkelijke stijging van het aantal probleemkinderen of door een verlaging van de selectiecriteria. Het is in ieder geval een ontwikkeling die nader onderzoek behoeft.

Deze tekst is overgenomen uit de samenvatting van het eindrapport; zie bij Publicatie(s) hieronder.

Details van het onderzoek

  
NWO-projectnummer:  412-03-001
Titel onderzoeksproject:  Lange-termijnontwikkeling van OAB-leerlingen
Looptijd:01-04-2003 tot 04-12-2006

Projectleider(s)

Naam Instelling E-mail
Dr. C.W.J. Mulder Radboud Universiteit Nijmegen l.mulder@its.ru.nl

Publicatie(s)

Relevante links(s)

[Bron: Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO)]











Gerelateerd

Later keuzemoment lln. vo
Kiezen voor het VO: is 12 jaar voor sommige leerlingen niet te jong?
Intrinsieke motivatie
Het motiveren van leerlingen met verschillende prestatieniveaus en achtergrondkenmerken
Ouderlijk opleidingsniveau
Ouderlijk opleidingsniveau en onderwijsachterstanden van kinderen
Onderwijsachterstandenbeleid vve/po
Onderwijsachterstandenbeleid op voorschool en basisschool
Achterstand autochtone doelgroepleerlingen
De achterstand van autochtone doelgroepleerlingen
Prestaties en etniciteit
Motivatie bij verschillende prestatieniveaus en sociale en etnische achtergrond
Interactief taalonderwijs
Interactief taalonderwijs voor achterstandsleerlingen
Onderwijsachterstandenbeleid
Effecten van beleidsontwikkelingen in het onderwijsachterstandenbeleid
Geletterdheid adolescente risicoleerlingen
Aspecten van geletterdheid van adolescente risico leerlingen
Meertalige contexten
Ontwikkeling van geletterdheid van adolescente risico leerlingen in meertalige contexten; een verhaal van drie steden
Beleid onderwijsachterstanden PO
Beleid onderwijsachterstanden in primair onderwijs – reviewstudie
Schrijf in voor de nieuwsbrief
[extra-breed-algemeen-kolom2]




Onderwijsachterstanden 1988 2002



Inschrijven nieuwsbrief


Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.