Faalangst - tips voor de leerkracht

Anton Horeweg

Leerkracht, gedragsspecialist (master SEN) en trainer/coach bij Gedragsproblemenindeklas.nl

  

meesgroep8@hotmail.com

  Geplaatst op 18 mei 2017

Horeweg, A. (2017). Faalangst, tips voor de leerkracht.
Geraadpleegd op 25-06-2017,
van http://wij-leren.nl/tips-gedragsproblemenindeklas-faalangst.php

Letterlijk is faalangst de angst om te falen. Het kind is bang fouten te maken en niet aan de verwachtingen te voldoen. Eigenlijk komt dat door gedachten die zich vooraf in het kinderhoofd nestelen. Dat kunnen gedachten zijn als ‘Het zal wel niet gaan lukken, ik kan dit nooit, ik krijg vast een black-out.’


We spreken van faalangst – in onderscheid van algemene angsten- als het gaat om angst voor een bepaalde taak, iets wat van je wordt verwacht en waar een beoordeling op volgt. Voorbeelden zijn proefwerken op school, spreekbeurten, of het stellen van een vraag aan de leerkracht tijdens de les. Door de angst presteert het kind vaak onder zijn of haar niveau. Voorafgaand aan de ‘taak’ kan het kind ook vreselijk opzien en angst hebben.


Wat kun je in het algemeen doen om faalangst te voorkomen of te verminderen?


•    Bekijk je eigen leerkrachtgedrag. Wakker je onbewust en onbedoeld faalangst aan? Gebruik de checklist.
•    Maak in je klas duidelijk dat fouten maken mag en dat niemand zijn leven foutloos doorbrengt.
•    Bespreek in je groep hoe er met fouten van jezelf en anderen moet worden omgegaan.
•    Bespreek faalangst eens met je groep.
•    Bespreek als leerkracht eens iets wat je zelf fout hebt gedaan; hoe dat voelde en hoe je dat oploste.
•    Laat overduidelijk merken dat “meetellen” niet afhangt van je hoge prestaties.
•    Geef positieve kritiek bij het werk. Schrijf het er ook onder. Kinderen ervaren dat als “echter.” Bovendien kunnen ze het nog eens teruglezen.
•    Grijp alle momenten aan om positieve opmerkingen te maken, ook al vind je de handelingen vanzelfsprekend. “Jullie hebben elkaar prima geholpen!” “Jullie werkten goed stil, zodat iedereen geconcentreerd kon werken, goed zo!” Deze vorm van feedback heet positieve, taakgerichte feedback. Kinderen hebben hier veel behoefte aan. Het stelt ze gerust: ze doen het goed.
•    Vergeet echter de positieve persoonsgerichte feedback niet. Daarmee laat je kinderen weten dat ze ertoe doen, hoe ze ook presteren. “Fijn dat je er bent, kom snel zitten.”  “Wat ben je toch een grote hulp hè?”


Wat kun je doen als een kind in je klas faalangst heeft?


•    Neem eventueel de School Vragen Lijst (SVL) af. Er is een versie voor de bovenbouw van de basisschool. De test kan je vermoeden verkregen uit observaties bevestigen.
•    Voor meer informatie kun je ook de Prestatie Motivatie Test voor kinderen (PMT-k) afnemen. Geschikt voor kinderen vanaf 10 jaar.
•    Ga in gesprek met het kind om te kijken hoe het kind reageert op stressvolle taken. Via een zogenaamde schrijfopdracht kun je te weten komen waar het kind moeite mee heeft en hoe het daarop reageert.
•    Naast de schrijfopdracht is een gesprek met open vragen heel handig. Klik op de link voor voorbeeldvragen

Leg uit aan het kind dat ook anderen faalangst ervaren. Vaak denken deze kinderen dat zij de enigen zijn.
•    Ga ook in gesprek met de ouders. Wat merken zij thuis? Hoe reageren zij? Wat voor eisen stellen zij? Enz.
•    Houd in je klas eens een algemeen gesprek over faalangst.
•    Geef de kinderen met faalangst meer tijd voor toetsen, e.d. Zo neem je alvast één stressfactor weg.
•    Geef een kind met faalangst geen beurt voor het bord, zelfs niet als je zeker weet dat hij het antwoord weet. Het kind zal vermoedelijk dichtklappen.
•    Als het kind toch een beurt moet krijgen, laat het dan gewoon op zijn plaats zitten.
•    Als het kind het antwoord niet weet, laat hem dan niet “helpen” door een ander kind. Vereenvoudig de vraag door bijvoorbeeld twee antwoordalternatieven te bieden. “Is het rood of is het groen?” Als het kind tóch nog het verkeerde antwoord kiest, kun je nog zeggen “Je bedoelde rood hè? Goed zo.”
•    Geef geen onuitvoerbare opdrachten. “Doe je best!” is er zo één. Het kind zal zich gaan afvragen wanneer het nu eigenlijk zijn best doet.
•    Als je merkt dat het kind irreële eisen stelt aan zichzelf, probeer dan samen reële eisen af te spreken. In plaats van ik moet een 9 voor mijn toets halen, ik moet een voldoende voor mijn toets halen.
•    Als de faalangst heel erg is, is het raadzaam om het kind een cursus omgaan met faalangst te laten volgen. Ga hierover in gesprek met IB-er en ouders. Zij kunnen het kind eventueel via SMW opgeven voor een cursus.


Waar moet je op letten bij aanbieden nieuwe leerstof?


•    Vertel van te voren wat het doel is van de les. “Vandaag ga je leren het onderwerp uit een zin te halen.” Dat helpt de kinderen focussen.
•    Verdeel de uitleg in kleine stapjes.
•    Herhaal veel, deze kinderen missen vaak een stuk uitleg door hun angstgevoelens. “Ik kan dit niet.”
•    Benadruk dat het niet vreemd is, als je het nog niet (helemaal) snapt na de uitleg. Leg de schuld daarvan bij de leerstof. Spreek ook meteen de verwachting uit dat ze dit gaan snappen. “Dit is een moeilijk onderwerp. Het komt nog veel terug en dan oefenen we verder. Na een tijdje zul je het snappen.”
•    Bouw tijdens de verwerking controle momenten in. Loop eens langs het kind en neem hem eventueel  “voor de zekerheid” even mee naar de instructietafel om samen te kijken. Zeg dus niet dat het kind het niet snapt en daarom moet komen.
•    Bespreek na afloop met z’n allen wat we nu geleerd hebben.
•    Overigens werkt bovenstaande prettig voor àlle kinderen.


Waar moet je op letten tijdens het inoefenen?


•    Benadruk dat de kinderen eerst zelf het probleem moeten proberen op te lossen. Spreek af dat ze daarna met een medeleerling proberen de oplossing te vinden als het alleen niet lukt. Geef wel aan dat ze hulp krijgen als het echt niet lukt.
•    Geef bemoedigende opmerkingen als: “Je doet het goed.” “Ik zie dat je slim bezig bent.” Enz.
•    Laat weten dat je hoge verwachtingen hebt, maar stel wel reële eisen.
•    Leg de nadruk op de successen, ook als het nog niet (helemaal) goed is. “Je hebt minder fouten dan de vorige keer. Ik weet zeker dat het een volgende keer nòg beter gaat. Goed zo! “
•    Vermijd negatieve uitspraken als “Dat is te moeilijk voor jou.”
•    Let ook op je non verbale gedrag in dit opzicht. Diep zuchten tijdens een uitleg aan een kind, met je ogen rollen.. het bevordert het zelfvertrouwen niet.


Waar moet je op letten vóór een toets?


•    Voor sommige kinderen kan het helpen om ademhalingsoefeningen toe doen. Als je gespannen bent heb je vaak een borstademhaling. Oefen op het verkrijgen van een buikademhaling. Uiteraard moet je niet vijf minuten voor de toets voor het eerst oefenen, maar als je dit met je klas vaker oefent, kunnen deze kinderen het vóór de toets wèl toepassen. Uiteraard zijn er nog veel meer ademhalingsoefeningen.
•    Voor sommige kinderen helpt het bewust aanspannen en ontspannen van hun spieren ook. Het krampachtige gevoel verdwijnt, ze worden iets meer ontspannen. Ook deze oefeningen kun je regelmatig oefenen met je klas en vóór de toets weer toepassen.
•    Het “goed gaan zitten” helpt ook om alle spieren te ontspannen. Twee voeten op de grond, rug tegen de stoelleuning, rechtop. Zo kun je makkelijker ademen en makkelijker ontspannen zitten.


Waar let je op tijdens het maken van de toets?


•    Als je de toets zelf maakt, formuleer de vragen dan kort en bondig. Zeker faalangstige kinderen hebben hier baat bij. Zo weten ze beter wat er verwacht wordt. Dit voorkomt paniek.
•    Rangschik de vragen van makkelijk naar moeilijk. Als de eerste twee vragen goed te beantwoorden zijn, geeft dit al wat meer zekerheid voor de rest van de vragen.
•    Bij een faalangstige leerling kun je eventueel aangeven welke vragen nodig zijn om een voldoende te behalen. Kijk wel of dit echt werkt, dit zal per kind verschillen.
•    Zorg dat de factor tijd “uitgeschakeld” wordt. Als het kind er zo lang overmag doen als nodig is, zul je merken dat hij waarschijnlijk gewoon klaar is op dezelfde tijd als de anderen.
•    Kondig toetsen ruim van te voren aan. Zo kan het kind zich redelijkerwijs gezien goed voorbereiden.
•    Maak als ruggensteun eventueel samen met het kind een planning om de toets te leren.
•    Geef als het even kan geen onverwachte overhoringen. Paniekaanval verzekerd.


Waar moet je op letten na de toets?


•    Schrijf positieve opmerkingen bij het werk. Als het werk dramatisch gemaakt is en er geen positieve opmerkingen bij kunnen, schrijf er dan in ieder geval geen venijnige negatieve opmerkingen bij.
•    Zet bij alle goede antwoorden een krul. Bij de foute antwoorden niets of slechts een klein streepje.
•    Noteer het aantal goede antwoorden, niet het aantal foute.
•    Kijk de toetsen zo snel mogelijk na. Een week of langer wachten is niet goed; eigenlijk moeten de cijfers de andere dag gegeven worden.
•    Geef de toets niet zomaar terug. Bespreek hem klassikaal, geef veel positieve feedback. Benadruk dat je kunt leren van de nu gemaakte fouten en dat het dáár nu juist om gaat.
•    Bespreek de toets eventueel ook nog apart met sommige kinderen.


Je kunt in gesprek gaan met een kind dat faalangst heeft, volgens het GGG-model van Ellis. Dit model biedt een andere manier van denken aan, waardoor het kind helpende gedachten leert gebruiken in plaats van mislukkingsgerichte gedachten.
 

 

Horeweg, A. (2017). Faalangst, tips voor de leerkracht.
Geraadpleegd op 25-06-2017,
van http://wij-leren.nl/tips-gedragsproblemenindeklas-faalangst.php

Stel je onderwijsvraag

Leren in de 21e eeuw - gratis e-book

Tips voor gedragsproblemen in de klas - faalangst



Inschrijven nieuwsbrief


Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.