Algemeen
Roos van Leary -1- Roos van Leary -2- Professionele vrijheid Verantwoordelijkheid nemen Aandacht in leerproces Autonomie leraren Gerichte feedback Hoogbegaafdheid leerkrachtcompetenties Interpersoonlijke identiteit Leraarschap waarderen Leraren hebben meer vakantie Mindset Observeren Onderzoekende leraar Leerkrachtgedrag Selectie aan poort lerarenopleidingen Zelfvertrouwen leerkracht Verantwoordelijkheid leren Werk van de leraar Ontspannen lesgeven tips
LVS
Nadruk basisvaardigheden po
Ouders
Communicatie met ouders Leraren en ouderbetrokkenheid
Collegiale visitatie
Deel 1: leren van elkaar Deel 2: consultatie Deel 3: intervisie Deel 4: lessonstudy
Professionalisering
Academisch docent po/vo Begeleiding startende leraren VO Competentiemanagement Staat van de leraar Effectief leiderschap UUU werkmodel Opleiden in de school Professionele ontwikkeling Zelfbeoordeling leraren LeerKRACHT initiatief Intern begeleider Expertise leraren pop Gedrag leraren pop Identiteit leraren pop Kennis leraren pop Begeleiden reflectie pop Kwaliteit opleiding Leerkracht centrale factor Leraren leren als gelijken Het lerarenregister Randstad OnderwijsBewijs Geloof eigen kunnen leraren Meedenken aan onderwijskwaliteit Persoonlijk meesterschap Lerende netwerken Persoonlijke effectiviteit Persoonlijkheidstesten Leren samen leren Professional in de spiegel 1 Professional in de spiegel 2 Professionaliteit lerarenopleiders Professionele leergemeenschap Professioneel leren Professioneel vermogen Professionele ontwikkeling leraren Leraren basisscholen Leraren middelbaar beroepsonderwijs Programma LeerKracht Regioleren SBL competenties BAO SBL competenties VO SBL competenties VO MBO Academische pabo Professionele ruimte
Onderwijskwaliteit
Cesuur Maatwerk en vakmanschap Toegevoegde waarde
Leren
Klassenmanagement Onderzoekend leren rol docent Startende leerkracht Scaffoldingstechnieken
Samenwerken
Motivatie Orde en grenzen Co-teaching Duo-collega Ga tot de mier! Luistergedrag Tweetalig communiceren Macht of gezag Professionaliseren samenwerken po Communicatie in school Teamcommunicatie Teamleren Verantwoordelijkheid geven
Schoolontwikkeling
Professionele leergemeenschap
Beroepsonderwijs
Competenties docent beroepsonderwijs Professionele ontwikkeling docenten ROC Competentiegericht beroepsonderwijs
Problemen
Werkdruk werkgelegenheid 40-urige werkweek Leraren pesten leraren Emotionele processen leraren Meester Mark -1- Meester Mark -2- Regeldruk en administratie Werkdruk verlagen Werkdruk bespreken Werkdruk normjaartaak Werkdruk tips Werkdruk werkplezier
VO en MBO
Professionele ontwikkeling docenten Ontwikkeling leraren mbo
Passend onderwijs
Hulpstructuur rond leraar Differentiatie handelingsrepertoire Passende professionalisering Pedagogisch didactisch handelen
ICT
Weinig ICT-gebruik

 

Pedagogisch-didactisch handelen en Passend Onderwijs

Geplaatst op 1 juni 2016

Dit is één van de vier onderzoeken naar Passend Onderwijs waarvan de resultaten samengevoegd zijn in het rapport ‘Op de drempel van Passend onderwijs’. Voor meer informatie zie het project Ontwikkeling van en voorwaarden voor Passend onderwijs en ook de gerelateerde projecten hieronder.

Samenvatting

Achtergrond en doel van het onderzoek

In de programmalijn Passend onderwijs van het BOPO-programma 2009-2012 zijn drie samenhangende themaprojecten uitgevoerd. Het doel van het onderzoek was zicht krijgen op het onderwijs aan en de ondersteuning van leerlingen met  specifieke onderwijsbehoeften en op de ondersteuning die scholen en leerkrachten hierbij krijgen. Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften zijn leerlingen met problemen (leerproblemen en/of sociaal-emotionele en/of gedragsproblemen) of beperkingen (van lichamelijke, zintuiglijke of psychische aard) die het volgen van onderwijs bemoeilijken en bij wie specifieke aanpassingen in het onderwijsaanbod en/of speciale zorg nodig zijn. Zij worden ook ‘zorgleerlingen’ genoemd.

Onderzoeksvragen

De overkoepelende onderzoeksvraag is tweeledig en luidt als volgt:

• Hoe wordt het onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het primair onderwijs ingericht op bovenschools niveau, op school en in de klas?
• Welke samenhangen zijn er tussen factoren op bovenschools niveau, op schoolniveau en op leerkrachtniveau?

Deze vragen zijn uitgewerkt in een groot aantal subvragen. Daarbij worden drie verschillende niveaus onderscheiden: het bovenschoolse niveau, het schoolniveau en het leraar-/klasniveau. Op het bovenschoolse niveau staat de vraag centraal in hoeverre samenwerkingsverbanden voor primair onderwijs erin slagen een flexibel en adequaat aanbod aan voorzieningen en ondersteuning vorm te geven. Op schoolniveau hebben de vragen betrekking op het beleid gericht op het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en op de ondersteuning voor leerkrachten hierbij.

Daarnaast zijn er vragen naar randvoorwaarden, zoals attitudes en competenties. Op het niveau van leerkracht en klas staan het pedagogisch-didactisch handelen van de leerkracht en het onderwijs aan en de ondersteuning van zorgleerlingen centraal in de vragen. Ook hierbij komen randvoorwaarden aan bod. 

Onderzoeksopzet

Aan het onderzoek hebben zes samenwerkingsverbanden voor primair onderwijs deelgenomen. Het onderzoek omvatte de volgende activiteiten:

• literatuurstudie;
• verzamelen en analyseren van relevante documenten van de samenwerkingsverbanden en van kengetallen van scholen en samenwerkingsverbanden;
• houden van vraaggesprekken met 26 sleutelpersonen op bovenschools niveau;
• afname van een korte vragenlijst bij sleutelpersonen op bovenschools niveau;
• afname van een enquête bij 150 interne begeleiders;
• afname van een enquête bij 695 leerkrachten, inclusief ‘vignetten-onderzoek’;
• uitvoeren van lesobservaties in 52 scholen (103 groepen);
• uitvoeren van gevalsstudies met betrekking tot het onderwijs aan leerlingen met leerproblemen en aan leerlingen met gedragsproblemen (69 leerlingen).

Een groot deel van de dataverzameling heeft in de eerste helft van 2012 plaatsgevonden.
De onduidelijkheid in het beleid rond Passend onderwijs in die periode kan enige invloed op de enquêteresultaten hebben gehad.

Resultaten: Bovenschools niveau

Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de zes samenwerkingsverbanden die aan het onderzoek hebben deelgenomen. Die verschillen betreffen niet alleen organisatorische aspecten, zoals de omvang en het aantal deelnemende besturen, maar ook de
invulling van de rol van het samenwerkingsverband. Sommige schoolbesturen trekken zoveel mogelijk naar zich toe, waardoor de ruimte voor het samenwerkingsverband klein wordt. Dergelijke verschillen zijn ook te zien in de positie en bevoegdheden van de coördinator van het verband. Enkele samenwerkingsverbanden beschikken over een uitgebreide bovenschoolse ondersteuningstructuur, waarin een zorgplatform een belangrijke functie vervult. Medewerkers daarvan geven onder meer adviezen en begeleiding in de scholen. In één van de samenwerkingsverbanden wordt het uitgangspunt gehanteerd dat een uitgebreide bovenschoolse ondersteuningsstructuur onwenselijk is. Het daardoor uitgespaarde budget kan worden ingezet om de kwaliteit van onderwijs en ondersteuning in de scholen te verhogen. Dit is het enige van de zes verbanden waar geen preventieve ambulante begeleiding beschikbaar is.

Problematiek van leerlingen kan worden besproken in zorgadviesteams (ZAT’s), waarna zo nodig jeugdzorg en/of schoolmaatschappelijk werk kan worden ingezet. In een aantal verbanden is er een directe koppeling tussen het ZAT en de permanente commissie leerlingenzorg (PCL) of het zorgplatform. De meerderheid van de interne begeleiders is positief over de adviezen van het ZAT en over de bijdrage daarvan aan de hulpverlening. In de scholen wordt volgens de interne begeleiders vooral gebruik gemaakt van ondersteuning door een orthopedagoog, logopedist, schoolmaatschappelijk werk, schoolbegeleiders en ambulante begeleiders vanuit de regionale expertisecentra.

Van de leerkrachten geeft een derde aan preventief ambulante begeleiding te krijgen en eveneens een derde ambulante begeleiding vanuit een regionaal expertisecentrum. De helft van de leerkrachten krijgt ondersteuning van een orthopedagoog en twee derde van een schoolbegeleider. De leerkrachten die ondersteuning krijgen, voelen zich daardoor in het algemeen ook daadwerkelijk ondersteund. 

Veel deelnemers aan de gesprekken geven aan dat er grote verschillen tussen scholen zijn in de mogelijkheden op het gebied van onderwijs aan zorgleerlingen. De verantwoordelijkheid voor kwaliteitszorg en deskundigheidsbevordering ligt bij de schoolbesturen. De ruimte die het samenwerkingsverband krijgt om hierop invloed uit te oefenen, hangt af van de schoolbesturen. In een aantal samenwerkingsverbanden zijn afspraken gemaakt om gezamenlijk handelingsgericht werken in te voeren.

De uitwerking van die afspraak kan echter van schoolbestuur tot schoolbestuur verschillen. Het monitoren van de kwaliteit beperkt zich in het ene samenwerkingsverband tot het verzamelen van kengetallen over aanmeldingen bij de PCL en verwijzing, terwijl in andere verbanden functionarissen van het verband met de scholen in gesprek gaan over het onderwijs aan zorgleerlingen. Via netwerken van schoolleiders en van interne begeleiders communiceren de samenwerkingsverbanden met de scholen en peilen zij de behoefte aan professionalisering. In een aantal gevallen functioneren deze netwerken op bestuursniveau in plaats van op het niveau van het samenwerkingsverband.

Van Passend onderwijs verwacht men vooral dat basisscholen meer zicht krijgen op hun eigen mogelijkheden en beperkingen rond onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, dat hun deskundigheid op dit gebied zal verbeteren, dat deze leerlingen beter ondersteund worden, dat er meer samenwerking komt tussen basisscholen en speciaal onderwijs en tussen onderwijs en zorginstellingen en dat budgetten doelmatiger worden besteed. De meerderheid verwacht meer flexibiliteit in het toewijzen van extra zorg en afname van verwijzing naar speciaal (basis)onderwijs. Op tal van punten zijn de meningen verdeeld, zoals over de mogelijkheden voor ouders om zelf een school te kiezen, over bureaucratie bij het toewijzen van extra ondersteuning aan leerlingen en over thuiszitters. Er is zorg over bezuinigingen, schaalvergroting, en de vraag hoe men in een groter samenwerkingsverband kan behouden wat is opgebouwd en of de besturen in de toekomst (nog) meer naar zich toetrekken.

Resultaten: Schoolniveau

Op vrijwel alle scholen geven de interne begeleiders aan dat de basiselementen van een goede ondersteuningsstructuur aanwezig zijn. Dit betreft onder meer het volgen en analyseren van leerprestaties en het afstemmen van het onderwijs op de uitkomsten daarvan, het opstellen van individuele handelingsplannen en van groepsplannen en het regelmatig evalueren van de effecten hiervan, schoolbrede afspraken over differentiatie en overdracht van informatie over de leerling bij wisseling van groep en over het onderhouden van contacten met de ouders van zorgleerlingen. Minder frequent toegepaste maatregelen zijn het volgen van de sociaal-emotionele ontwikkeling, het vastleggen van te behalen (tussen)doelen, het voeren van leerlingbesprekingen waarbij alle leerlingen aan bod komen en het vastleggen van doelen voor specifieke groepen leerlingen. Knelpunten zijn er volgens interne begeleiders vooral bij het opstellen en in de lespraktijk integreren van groepsplannen en van individuele handelingsplannen.

Meer in het algemeen vinden veel ib’ers het afstemmen van de onderwijsaanpak op individuele leerlingen nog (enigszins) een knelpunt, evenals het toepassen van de cyclus van planmatig werken en het werken volgens vaste protocollen.
Volgens twee derde van de ib’ers vinden leerkrachten lesgeven op verschillende niveaus een uitdaging. Ib’ers maken zich echter zorgen over de belasting die het lesgeven aan zorgleerlingen voor leerkrachten met zich meebrengt en over de druk die de aanwezigheid van zorgleerlingen legt op de niet-zorgleerlingen. Over competenties van hun leerkrachtenteam als geheel denken de interne begeleiders veelal positief. Punten die voor verbetering vatbaar zijn, zijn het vermogen tot planmatig handelen, het vermogen om onrustige klassen te hanteren en gedragsproblemen te voorkomen door aangepaste opdrachten te geven en de kennis van remediërende materialen of aanpakken. Interne begeleiders zijn positief over hun eigen vaardigheden op het gebied van leerlingenzorg. Zij zijn iets minder zeker over hun vaardigheid in adviseren/begeleiden bij het omgaan met sociaal-emotionele en gedragsproblemen en het zelf stellen van diagnoses en zij zijn onzeker over hun vaardigheden in het begeleiden van leerkrachten bij weinig voorkomende zorgvragen. Functioneringsgesprekken, gevolgd door afspraken over verdere ontwikkeling van competenties, en klassenbezoek met nabespreking door de interne begeleider of de schoolleider zijn algemene praktijk in de scholen. Dat leerkrachten bij elkaar gaan observeren in de klas is minder gebruikelijk en lang niet alle scholen hebben een professionaliseringsplan. Coaching van individuele leerkrachten en georganiseerde vormen van intervisie komen weinig voor. 

Beperkingen of belemmeringen als faalangst, adhd, autisme, sociaal-emotionele problemen, dyslexie of dyscalculie leveren volgens de ib’ers op weinig scholen problemen op. Scholen voorzien overwegend problemen bij het plaatsen van leerlingen met visuele of auditieve beperkingen of ernstige verstandelijke beperkingen, met name het syndroom van Down. Wat meer verdeeld zijn de meningen over lichamelijke beperkingen, ernstige spraak- en taalmoeilijkheden, psychiatrische problematiek en opstandig en/of antisociaal gedrag. De ambities liggen over het algemeen iets hoger dan wat nu gerealiseerd wordt, maar het algemene beeld is hetzelfde. De meeste scholen geven aan dat zij de meeste zorgleerlingen toelaten, maar ouders doorverwijzen als er specifieke vormen van hulp nodig zijn die zij echt niet kunnen bieden. Afspraken met andere scholen over het plaatsen van zorgleerlingen zijn er volgens meer dan de helft van de interne begeleiders (nog) niet.

Interne begeleiders verwachten vooral dat Passend onderwijs een grotere werkdruk zal opleveren en dat scholen meer zullen moeten gaan doen met minder geld. Positieve verwachtingen zijn dat de deskundigheid van leerkrachten in het omgaan met
zorgleerlingen zal toenemen en dat het ondersteuningsprofiel van de school duidelijker zal worden. Over het geheel genomen valt vooral op hoe weinig eensluidend de verwachtingen van ib’ers rond Passend onderwijs zijn.

Resultaten: Leerkracht- en klasniveau 

Leerkrachten vinden zorgleerlingen zowel de verantwoordelijkheid van hen zelf als van het hele schoolteam. Ze raadplegen elkaar ook regelmatig over de aanpak van zorgleerlingen. Het vertrouwen in eigen kunnen is bij leerkrachten behoorlijk hoog.
Zij zijn gemiddeld nog iets positiever over hun eigen competenties dan de interne begeleiders. Leerkrachten geven slechts zelden aan iets niet te kunnen en zeggen ook niet vaak iets ‘deels’ te kunnen. De meerderheid vindt het lesgeven op verschillende niveaus en het lesgeven aan zorgleerlingen een uitdaging en is van mening dat zorgleerlingen in hun klas goed op hun plek zitten. Er is echter ook een vrij grote groep die vindt dat hun grens bereikt is wat betreft zorgleerlingen en die het onderwijs aan deze leerlingen een zware belasting vindt. Ook zijn er vrij veel leerkrachten die er niet zeker van zij dat zij zorgleerlingen kunnen bieden wat zij nodig hebben. Eén op de vijf leerkrachten voelt zich echt overbelast.

Naar de zorgcapaciteit van de leerkracht is op twee manieren onderzoek gedaan: door hen in algemene zin te vragen welke type leerlingen ze goed kunnen opvangen in hun eigen groep en door hen een aantal op vignetten beschreven denkbeeldige leerlingen voor te leggen, variërend in type beperking en in zwaarte van hun problemen. Daarbij moesten de leerkrachten per leerling aangeven of ze deze in hun eigen groep zouden kunnen opvangen (zonder extra steun, met extra steun of helemaal niet). In de vragenlijst geven leerkrachten aan het beste overweg te kunnen met leerlingen met dyslexie, faalangst, dyscalculie, sociaal-emotionele problemen en adhd. Iets moeilijker vinden ze leerlingen met lichamelijke handicaps en autistische stoornissen. Het moeilijkst achten ze leerlingen met visuele of auditieve handicaps, psychiatrische problemen, antisociaal gedrag, spraak- en taalmoeilijkheden en ernstige leermoeilijkheden, een verstandelijke beperking of het syndroom van Down.

Het vignettenonderzoek bevestigt dit beeld. Daarin is ook gevraagd waar de beschreven leerlingen het beste af zou zijn. Twaalf van de voorgelegde dertien zorgcategorieën zijn volgens een meerderheid van de leerkrachten het beste af op de gewone basisschool, soms alleen wanneer leerlingen daarmee in lichte mate te maken hebben (visuele handicaps, auditieve handicaps, autisme en agressief gedrag), maar ook zeven maal wanneer er sprake is van middelmatig zware problemen en zelfs vier maal bij zware problemen. De categorie Downsyndroom is de enige categorie die volgens een meerderheid van de leerkrachten niet op de gewone basisschool thuishoort. 

Uit de enquête blijkt dat vier vijfde met groepsplannen werkt en drie vijfde met individuele handelingsplannen. Differentiatie gebeurt vooral via verlengde instructie aan en begeleide inoefening bij zwakkere leerlingen. De meeste leerkrachten gebruiken
specifiek materiaal voor leerlingen met leerproblemen en computers voor individueel oefenen en individuele hulp. Vrijwel allen maken gebruik van (gestandaardiseerde) toetsen, maar het is slechts bij weinigen gebruikelijk om de resultaten daarvan (al dan niet samen met de interne begeleider) te analyseren. Extra hulp wordt zoveel mogelijk in de klas geboden. Leerkrachten overleggen relatief veel met de ouders van zorgleerlingen en maken afspraken over wat ouders thuis kunnen doen en over afstemming van de aanpak thuis en op school.

Bij de lesobservaties krijgen de leerkrachten hoge scores op de aspecten die horen bij sociaal-motivationele ondersteuning (goede sfeer creëren, sensitief reageren) en bij een goede organisatie in de klas (gedrag reguleren, leertijd benutten, instructie-aanpakken). Er wordt dus vrij goed ondersteuning geboden aan de kinderen, een variatie aan werkwijzen en materialen gehanteerd, duidelijke leerdoelen gesteld en actieve betrokkenheid van het kind gerealiseerd. Mindere resultaten zijn er bij de drie aspecten die horen bij de kwaliteit van de instructie (begripsontwikkeling, kwaliteit van feedback en stimuleren van taalontwikkeling). Vooral het stimuleren van begripsontwikkeling scoort relatief laag.

Verreweg de meeste leerkrachten tonen zich tevreden over de steun die ze ervaren vanuit de interne zorgstructuur op hun school/van hun interne begeleider. Steun bij de aanpak van leer- en gedragsproblemen ervaren zij vooral van hun interne begeleiders en van collega’s en in iets mindere mate van ouders. De hoogste scores voor steun van externen zijn er bij schoolbegeleiders en orthopedagogen. De meeste behoefte aan ondersteuning hebben zij bij het omgaan met gedragsproblemen en hoogbegaafdheid, gevolgd door problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling. Nascholing op het gebied van omgaan met zorgleerlingen is door ongeveer een derde tot de helft van de leerkrachten gevolgd, afhankelijk van het onderwerp. Het meest genoemd wordt nascholing in handelingsgericht werken/1-zorgroute. Van Passend onderwijs verwachten leerkrachten vooral meer werkdruk en dat ze meer zullen moeten doen voor minder geld. Ook denkt een grote meerderheid dat er minder kinderen verwezen zullen worden. Andere verwachtingen zijn dat er een helder ondersteuningsprofiel van de eigen school komt en dat de deskundigheid in het omgaan met zorgleerlingen zal toenemen.

Uit de gevalsstudies blijkt dat leerkrachten in het basisonderwijs de besproken zorgleerlingen (vaak met een combinatie van leer- en gedragsproblemen) sterker als belasting voelen dan in het speciaal (basis)onderwijs, terwijl bij laatstgenoemde leerlingen vaker sprake is van meervoudige problematiek. De leerlingen krijgen op verschillende manieren extra steun, waarbij ‘aandacht geven’ voorop staat, naast een combinatie van andere strategieën. Zowel leerkrachten als ouders zijn in de meeste gevallen positief over de onderlinge contacten en afspraken. Doorgaans is er ook dezelfde visie op de problematiek. De meeste ouders zijn tevreden over het effect van de geboden hulp. Bij ouders van leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs is die tevredenheid sterker dan bij ouders van zorgleerlingen in het basisonderwijs. Over Passend onderwijs weten de ouders nog niet veel, maar de vrees bestaat wel dat er minder geld en hulp zal zijn dan nu, met negatieve effecten voor het kind. 

Uit de multiniveau-analyses blijkt dat leerkrachten minder mogelijkheden zien om leerlingen met de in de vignetten beschreven problematiek in hun klas onderwijs te geven als het aantal leerlingen in de klas groter is en/of het aandeel zorgleerlingen in
de klas groter is. Een grotere zorgcapaciteit gaat samen met positievere attitudes ten aanzien van onderwijs aan zorgleerlingen en het gevoel competent te zijn in het aansluiten bij cognitieve verschillen tussen leerlingen. De analyses laten ook zien dat leerkrachten eerder aan de grens zitten wat betreft het onderwijs aan zorgleerlingen als zij in een grotere klas lesgeven en/of er een hoger percentage zorgleerlingen in de klas is. Een gevoel van hoge belasting gaat samen met negatievere attitudes ten aanzien van het onderwijs aan zorgleerlingen. In grotere scholen en in scholen waar de interne begeleider positief is over de mogelijkheden van de school in onderwijs aan zorgleerlingen voelen leerkrachten zich significant minder zwaar belast.

Een andere uitkomst van de multiniveau-analyses is dat het gevoel zorgleerlingen te kunnen bieden wat nodig is, bij leerkrachten vooral samen gaat met de eigen inschatting competent te zijn in het omgaan met cognitieve verschillen en met de mate waarin zij het lesgeven aan zorgleerlingen als uitdaging beschouwen en met de steun die zij van de interne begeleider ervaren. Daarnaast zijn de attitudes ten aanzien van de opvang van leerlingen met een verstandelijke beperking in het reguliere onderwijs, de mate waarin de leerkracht leerlingen van verschillend niveau laat samenwerken en de mate waarin de leerkrachten zich competent voelen in het omgaan met leerlingen met gedragsproblemen van belang. Op schoolniveau bleek dat leerkrachten minder sterk het gevoel hebben dat zij zorgleerlingen kunnen bieden wat nodig is, als er meer knelpunten zijn bij de inzetbaarheid van externe ondersteuning. 

Details van het onderzoek

  
NWO-projectnummer:  413-09-152
Titel onderzoeksproject:  Pedagogisch-didactisch handelen en Passend Onderwijs
Looptijd:01-01-2010 tot 26-02-2014

Projectleider(s)

Naam Instelling E-mail
Dr. H.M.Y. Koomen Universiteit van Amsterdam h.m.y.koomen@uva.nl

Publicatie(s)

Relevante links(s)

Gerelateerde projecten

[Bron: Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO)]

Pedagogisch didactisch handelen



Inschrijven nieuwsbrief


Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.