Edufinity verzorgt weer de opleiding Intern begeleiden als kwaliteitscoördinator

‘Koude’ en ‘warme’ executieve functies: de verborgen motor achter leren en gedrag

Jolles, J. (2026). ‘Koude’ en ‘warme’ executieve functies: de verborgen motor achter leren en gedrag.
Geraadpleegd op 08-08-2026,
van https://wij-leren.nl/jelle-jolles-executieve-functies.php/
Geplaatst op 15 mei 2026
Laatst bewerkt op 16 mei 2026
‘Koude’ en ‘warme’ executieve functies: de verborgen motor achter leren en gedrag

Dit artikel is eerder gepubliceerd als hoofdstuk 17 ‘Executief Functioneren’ in het boek ‘Het tienerbrein: een ander perspectief. Gids voor ouders, leraren en andere opvoeders’, gepubliceerd bij NeuroPsych Publishers, 2025. De verschillende executieve functies staan in dit boek in aparte hoofdstukken beschreven.

Executieve functies en de vaardigheden in zelfregulatie helpen ons plannen, aandachtig bezig zijn, instructies en hun betekenis te begrijpen, en taken efficiënt en in de juiste volgorde uit te voeren. Ze ondersteunen het ‘leren te leren’ en maken het mogelijk om te functioneren in de directe sociale omgeving van gezin, school, buurt en samenleving. Dit artikel laat zien hoe opvoeders de ontwikkeling van de executieve functies actief kunnen blijven ondersteunen gedurende de lange fase van de adolescentie, die doorloopt tot na het twintigste jaar.

Pas aan het eind van de adolescentie is de tiener beter in staat om weerstand te bieden aan afleidende prikkels. Dan overziet hij de consequenties van zijn keuzes en stelt vaker de goede prioriteiten. Hij heeft dan neuropsychologische functies ontwikkeld, waarmee hij een actieplan maakt, prioriteiten stelt en daarbij gebruik maakt van de eerder in het leven opgedane kennis en ervaringen. Daardoor kan hij de gevolgen van zijn handelen overzien, zowel fysiek, cognitief, sociaal als emotioneel en kan hij zelfstandig functioneren in studie, werk, de sociale groep en de complexe maatschappelijke context. De lange adolescentieperiode is nodig geweest om de kennis en ervaringen te vergaren die essentieel zijn voor de ontwikkeling van deze neuropsychologische functies.

"Pas aan het eind van de adolescentie is de tiener beter in staat om weerstand te bieden aan afleidende prikkels."

Neuropsychologisch functioneren en de executieve functies

Het geheel van deze functies en vaardigheden wordt meestal aangeduid met de term ‘executieve functies’ (EF). Deze functies en de vaardigheden in zelfregulatie stellen ons in staat te plannen, aandachtig bezig te zijn, instructies en hun betekenis te onthouden en taken efficiënt en in de juiste volgorde uit te voeren. Volgens Adèle Diamond, een internationaal befaamde expert op het gebied van de ontwikkeling van kinderen, zijn executieve functies nodig zodra je je aandacht moet richten, en je niet zomaar op je instinct of intuïtie kunt vertrouwen – met andere woorden, als je iets anders moet doen dan wat je gewoonlijk doet. Dankzij goed ontwikkelde executieve functies kunnen we verschillende opties afwegen, spelen met ideeën, nadenken in plaats van te snel handelen, en de beste weg te vinden naar het doel. Ze stellen ons in staat onverwachte uitdagingen aan te gaan, verleidingen te weerstaan en ons doel voor ogen te houden.

Net zoals een vluchtcontrolesysteem op een druk vliegveld de aankomende en vertrekkende vliegtuigen op meerdere startbanen controleert en coördineert, zo gebruikt het brein de executieve functies om binnenkomende prikkels – uit de omgeving en uit ons lichaam – te verwerken. Hierdoor kunnen we ons adequaat gedragen, weerstand bieden aan afleiding, en prioriteiten en doelen stellen. Executieve functies zorgen er kortom voor dat de persoon kan functioneren in zijn directe sociale omgeving en in de samenleving.

"Executieve functies zorgen ervoor dat je kunt functioneren in je directe sociale omgeving en in de samenleving."

De EF sturen het cognitief én het sociaal-emotioneel functioneren

De definitie die in de onderwijspraktijk vaak wordt gebruikt koppelt de executieve functies vooral aan het cognitief functioneren en de zogeheten ‘cognitieve controle’. Drie kernfuncties hebben erop betrekking: het werkgeheugen, de responsremming en cognitieve flexibiliteit (deze worden beschreven in aparte hoofdstukken in Het Tienerbrein (2025)). Vanuit neuropsychologische invalshoek vallen echter ook andere functies onder de koepel van de EF. Deze zijn essentieel voor het cognitief én sociaal-emotioneel functioneren. Zelfinzicht en zelfregulatie, complexe vormen van planning, het overzien van sociale consequenties en het begrijpen van de bedoelingen en emoties van anderen vallen hier ook onder (zie voor verdiepende beschrijving Het Tienerbrein (2025)).

"Executieve functies zijn essentieel voor het cognitief en sociaal-emotioneel functioneren."

De functies die onder de bredere definitie vallen, worden beschouwd als ‘de warme executieve functies’. Zij maken ons sociaal functioneren mogelijk en stellen ons in staat om bij complexe keuzes en beslissingen rekening te houden met zowel rationele overwegingen (‘Er zijn goede argumenten en dit is duidelijk de beste aanpak’) als met motivatie (‘Ik heb hier helemaal geen zin in, want ik wil nu relaxen op de bank’) en emoties en empathie (‘Mijn zusje Mo heeft alwéér verloren met Memory, ik zal haar de volgende keer laten winnen’).

"De warme executieve functies maken sociaal functioneren mogelijk."

De ontwikkeling van de executieve functies

De executieve functies zijn heterogeen en omvatten veel neuropsychologische functies en vaardigheden: impulsremming en aandacht, planning, zelfinzicht en zelfregulatie en de complexe taalvaardigheden en het denken. Al in relatief eenvoudige situaties in de vroege kindertijd beginnen deze executieve functies zich te ontwikkelen. Kleuters leren bijvoorbeeld op school dat ze om de beurt mogen praten en aandachtig moeten luisteren. En de achtjarige Jonas functioneert beter wanneer hij geremd wordt in zijn impulsiviteit: hij kijkt verlangend naar de suikerkransjes in de kerstboom maar haalt ze er niet uit. Zo ontwikkelen zich vanaf het eind van de kindertijd de relatief eenvoudige aspecten van planning die bijvoorbeeld nodig zijn om schooltaken op de basisschool te organiseren en uit te voeren. Complexere vormen van planning, zoals het inplannen van een middag met huiswerk en klusjes voor thuis, ontwikkelen zich (net als zelfinzicht en zelfregulatie) wat later: vanaf de vroege adolescentie. Deze functies rijpen pas echt goed uit in de late adolescentie en jonge volwassenheid, ruim na het twintigste levensjaar. In deze complexe vormen van planning moet de jongere oordelen, kiezen en beslissen in situaties waarin tegenstrijdige opties moeten worden afgewogen, of waar emoties een belangrijke rol spelen.

"Executieve functies groeien stap voor stap mee met de ontwikkeling van het kind en rijpen door tot ver in de jongvolwassenheid."

Adolescentie-experts benadrukken dat de lange duur van de adolescentie geen nadeel is, maar juist een voordeel. Het geeft jongeren immers nog jaren de tijd om veel kennis, vaardigheden en ervaringen op te doen die zij als volwassene later nodig hebben. Het feit dat de EF doorrijpen tot ver na het moment dat de jongere juridisch volwassen is, heeft belangrijke implicaties voor opvoeding en onderwijs: de meeste jongeren in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs zijn feitelijk nog niet ‘klaar’ met hun functionele ontwikkeling. Dit betekent dat zij ook nog in deze late levensfase – zelfs na hun achttiende jaar – behoefte hebben aan feedback en aan steun, sturing en inspiratie van opvoeders.

"De lange adolescentie geeft jongeren extra tijd om de kennis, ervaringen en vaardigheden op te bouwen die zij later als volwassene nodig hebben."


Executief functioneren en de hersenrijping

De ontwikkeling van de EF hangt direct samen met de rijping van de hersenen en met name van het voorste deel: de prefrontale schors. Dit is een omvangrijk gebied dat zelf uit tientallen kleinere hersenstructuren bestaat, elk met een eigen taak en functie. Die structuren in de prefrontale schors worden via netwerken van verbindingen gekoppeld aan vele andere structuren, zowel in de hersenschors als dieper in het brein en deze verbindingen zorgen ervoor dat de netwerken functioneel actief worden. Zo worden gespecialiseerde hersengebieden pas in de late tienertijd en na het twintigste jaar als het ware wakker en functioneel actief. Daardoor, en doordat de EF zo lang nodig hebben om volledig te rijpen, is de jongere ook op zijn achttiende – juridisch volwassen – nog niet klaar met zijn neuropsychologische ontwikkeling.


De ‘warme EF’ zorgen voor ‘leren te leren’

De warme EF stellen ons niet alleen in staat om sociaal te functioneren, maar ook om creatieve, geheel nieuwe verbanden te leggen; het zijn functies die ons helpen om van onze ervaringen te leren – kortom, ‘leren te leren’. Deze vaardigheden ontwikkelen zich vooral tijdens de tienertijd en zijn bij vrijwel iedereen pas uitgerijpt in de late adolescentie en de jonge volwassenheid. Daarom is het begrijpelijk dat het ook voor zestien- tot twintigjarigen nog niet eenvoudig is om goede keuzes te maken, zeker wanneer ook sociale en emotionele factoren een rol spelen en wanneer de intenties van de ander moeten worden ingeschat. Het geheel van de executieve functies kan in zes groepen worden onderscheiden. In het kader staat een overzicht (voor nadere beschrijving, zie separate hoofdstukken in Het Tienerbrein (2025)).

"‘Leren te leren’ vraagt om executieve functies die pas in de late adolescentie volledig uitrijpen."

De koude en de warme executieve functies

De ‘koude EF’

1 De basale executieve functies Het gaat om werkgeheugen, impulsremming en cognitieve flexibiliteit en gerelateerde functies. Deze worden vaak ‘de koude EF’ genoemd, en ontwikkelen zich – bij de meerderheid van kinderen en tieners – sterk vanaf de vroege kindertijd tot in de late adolescentie.

De ‘warme EF’

2 ‘Ik-functies’ Dit betreft de persoon in zijn eigen persoonlijke ruimte, en de vaardigheid om te reflecteren op de eigen doelen, aanpak, emoties en gedrag. Ook zelfregulatie hoort hierbij: het aanpassen van gedrag en zelfoordeel op basis van zelfinzicht.

3 Consequenties overzien Dit omvat het inschatten van opties en uitkomsten, en de mogelijke gevolgen van keuzes en beslissingen – zowel qua aanpak als in de te volgen route, en het rekening houden met de impact van gebeurtenissen op de korte, middellange en lange termijn.

4 Planningsvaardigheden Hieronder vallen vaardigheden op vijf domeinen, van relatief eenvoudig tot complex: taakplanning, actieplanning, projectplanning, termijnplanning en toekomstplanning.

5 ‘De ander’ Deze functies richten zich op de andere persoon: leeftijdsgenoten, opvoeders en andere volwassenen. Het gaat hierbij om het inleven en invoelen in de ander, het begrijpen van diens bedoelingen en emoties, en het vermogen om met empathie te reageren.

6 Regels, scripts, scenario’s en complexe sociale cognities Dit verwijst naar inzichten en kennis over datgene wat sociale groepen en de samenleving beweegt, en de scenario’s, de normen, de waarden, de doelen en de belangen die daarbij een rol spelen.

De EF ontwikkelen door inzicht in de ander en door feedback

De ontwikkeling van executieve functies vereist veel oefening en ervaring. Daarom strekt de adolescentie zich uit over zo’n lange periode: van ongeveer het tiende tot ongeveer het vijfentwintigste jaar. Deze tijdspanne is essentieel om voldoende kennis en ervaringen op te bouwen, te oefenen en vaardigheden te verfijnen. Opvoeders en andere volwassenen zijn hiervoor cruciaal: zij dragen bestaande kennis en ervaringen over aan de jongere. Ze stimuleren de ontplooiing van wat in potentie aanwezig is, en zorgen ervoor dat de jongere zich kan inbedden in de setting van studie, werk, en sociale omgeving. Uiteindelijk maakt dit het mogelijk om stabiele vriendschappen en romantische relaties te vormen en een eigen plek in te nemen in de samenleving.

"De adolescentie biedt jongeren de tijd om vaardigheden te verfijnen en hun plaats in de samenleving te vinden."

Omdat de EF ons in staat stellen andermans bedoelingen en emoties te begrijpen en zo nodig met empathie te reageren op anderen (EF groep 5) en de consequenties van gebeurtenissen te overzien (EF groep 3), dragen deze functies bij aan persoonlijke groei. Hierdoor leert de jongere om een heldere route door zijn leven te kiezen, een stabiel sociaal netwerk op te bouwen en werk te vinden – essentieel om te zijner tijd als jongvolwassene in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Omdat onze samenleving zo complex is, trekt de biologie een groot aantal jaren uit om dergelijke ervaringen op te kunnen doen. Daarom mogen we de adolescentie niet zien als slechts een overgangsfase tussen kindertijd en volwassenheid, maar als een apart ontwikkelingsstadium met een eigen waarde en betekenis. In deze lange periode krijgt de omgeving, en met name de opvoeders, vele jaren de tijd om de jongere de routes te wijzen, ondersteuning te bieden en te helpen zich te ontplooien.

"De EF zijn essentieel voor leren en zorgen dat het individu kan functioneren in de sociale omgeving en de bredere maatschappelijke context."

De EF helpen met aanpassing aan de sociale groep en de samenleving

Voor hun toekomstig functioneren is het belangrijk dat jongeren leren begrijpen welke abstracte belangen meespelen in sociale groepen – zoals de familie, buurt en de bredere samenleving als geheel. Doordat jongeren onderdeel uitmaken van het sociale systeem van ‘de groep’ en ‘de buurt’ of ‘de samenleving’ worden zij beter in staat de intenties van hun naasten te doorgronden (EF groep 5). Eerst gaat het om mensen uit de eigen groep, later ook om mensen uit andere sociale of culturele groepen, die vaak andere gebruiken hebben en andere regels en scenario’s hanteren.

Zo krijgt de tiener gaandeweg een beeld van de regels, scripts, scenario’s, normen en waarden van de samenleving (EF groep 6). In een divers samengestelde wereld is het belangrijk dat hij ‘anderen’ herkent met hun eigen culturele achtergrond en leer- en levenservaringen (EF groep 5). Daardoor wordt het eenvoudiger om open te staan voor diversiteit en om te zien dat regels, normen en waarden kunnen verschillen tussen culturele groepen. Alleen door dit te begrijpen, kan de jongere inschatten welke gevolgen zijn keuzes hebben – voor zichzelf, voor anderen en voor de bredere sociale omgeving. Zo leert de opgroeiende tiener zijn plaats in de samenleving bepalen.

"Door contact met verschillende mensen en groepen leren jongeren de gevolgen van hun keuzes steeds beter overzien."


Over normen en waarden

Het is belangrijk dat jongeren de regels, scripts, scenario’s, normen en waarden van de samenleving leren (her)kennen. Ouders, leraren en overheid zijn daarvoor belangrijk. Ingebed zijn in het sociale systeem zorgt ervoor dat je de intenties van je naasten beter leert begrijpen. Dat zijn in eerste instantie degenen die tot je sociale groep behoren. In tweede instantie gaat het ook om degenen die deel uitmaken van een andere sociale of culturele groep; mensen die andere gebruiken hebben en gedeeltelijk andere regels en scenario’s volgen in hun dagelijks functioneren. Het gaat om het herkennen van ‘de ander’ in diens sociale systeem, waardoor je ook jezelf beter kunt plaatsen in de interpersoonlijke context. Dat is de zesde groep van executieve functies.


De EF, ‘de regie over het eigen leerproces’ en het onderwijs

Omdat hun executieve functies nog in ontwikkeling zijn, zijn tieners (zowel leerlingen als studenten) nog niet goed in staat om geheel zelfstandig te leren en de verantwoordelijkheid te nemen voor hun studie én hun leven. Toch verwachten veel onderwijsinstellingen dat zij ‘regie kunnen voeren over hun eigen leerproces’. Dat betekent dat ze een studieplan moeten kunnen uitstippelen, intrinsieke leermotivatie opbouwen, prioriteiten stellen en keuzes maken in hun leertraject. Denk aan het vakkenpakket dat de leerling vaak al halverwege de middelbare school moet kiezen. Dat is voor tieners erg uitdagend, omdat de meeste jongeren op die leeftijd nog geen idee hebben van wat ze willen en kunnen, en wat hun toekomstige beroep zal zijn. Zelfs het rationeel plannen van een toetsweek en de voorbereiding daarvan is vaak lastig voor hen. Een tiener heeft daarom gerichte feedback nodig, plus steun en inspiratie van opvoeders, om zicht te krijgen op mogelijke routes en om relevante argumenten te herkennen die helpen bij het maken van goede keuzes. Deze ondersteuning is ook belangrijk bij beslissingen zoals: ‘Zal ik vanavond met mijn vrienden gaan stappen?’. Dan spelen sociale weerbaarheid en emotionele afwegingen een rol. Een avondje uit kan verleidelijk zijn, zeker als het je de gelegenheid biedt om contact te leggen met ‘die leuke jongen uit de vierde klas’, maar is een slechte keuze als je de volgende ochtend een toets hebt.

"Jongeren hebben begeleiding nodig bij het maken van keuzes, het stellen van prioriteiten en het overzien van gevolgen."

Kortom: EF en de consequenties voor opvoeders

Omdat de verschillende executieve functies zich ontwikkelen tot vér na de adolescentie is het onredelijk om van jongeren te verwachten dat zij volledig zelf de regie voeren over hun leerproces en hun leven. Ze hebben nog onvoldoende kennis en leer- en levenservaringen opgedaan om deze complexe afwegingen en beslissingen zelfstandig te nemen. Daarom spelen opvoeders (ouders, leraren, coaches) een onmisbare rol in het ondersteunen van jongeren in hun ontwikkeling. Het is van groot belang dat zij de tiener blijven begeleiden bij het plannen, het stellen van prioriteiten en het leren overzien van de gevolgen van hun keuzes. Dit vraagt van opvoeders dat zij jongeren helpen reflecteren op hun doelen, aanpak en gedrag, en hen ondersteunen bij het ontwikkelen van zelfinzicht en zelfregulatie. Daarnaast is het essentieel dat opvoeders tieners helpen empathie te ontwikkelen en zicht te krijgen op de intenties van anderen. Zo leren tieners rekening te houden met de sociale en emotionele context waarin ze zich bewegen. Dit alles vraagt om een actieve uitwisseling tussen tiener en opvoeder en een open dialoog, waarin jongeren ruimte krijgen om ervaringen op te doen, fouten te maken en te leren, terwijl ze kunnen terugvallen op de sturing en feedback van hun opvoeders. Zo werken ze stap voor stap toe naar zelfstandigheid en naar een volwassen rol in de samenleving.

"Opvoeders spelen een onmisbare rol in het begeleiden van jongeren bij keuzes, zelfregulatie en sociale ontwikkeling."


Werken aan de executieve functies

1. Versterk de mondelinge taalvaardigheid

Een tiener die goed onder woorden kan brengen wat hij denkt, voelt en bedoelt, beschikt over een sterker zelfinzicht. Dat is een essentieel hulpmiddel om het eigen gedrag te reguleren. Werken aan mondelinge taalvaardigheden betekent als opvoeder: praten met je tiener, luisteren, taal aanreiken, inzicht geven en inspireren. Goede taalvaardigheid helpt jongeren bij het benoemen van eigen emoties en intenties, én bij het inschatten van die van anderen. Het maakt het mogelijk om na te denken over de gevolgen van gedrag, en bevordert het vermogen om jezelf een instructie te geven – cruciaal voor de ontwikkeling van executieve functies (EF).

2. Creëer leerrijke ervaringen

Executieve functies ontwikkelen zich in de praktijk: door te doen, te ervaren en te leren van wat goed of minder goed ging. Het lezen van een tekst kan theoretisch inzicht bieden, maar vormt geen vervanging voor echte ervaringen. De belangrijkste opdracht voor leraren en ouders is dan ook: bied je kind of leerling voldoende gelegenheid om ervaringen op te doen, geef betekenisvolle feedback en besef dat de ontwikkeling van EF pas ruim na het twintigste levensjaar is voltooid.

3. Stimuleer het werkgeheugen en aandachtsfuncties

Zorg voor een rijk aanbod aan prikkels, vanaf jonge leeftijd. Stimuleer de verwerking van zintuiglijke informatie via zicht, gehoor, tastzin en ruimtelijke oriëntatie. Laat je kind of leerling werken met divers materiaal: gesproken en geschreven taal, complexe visuele prikkels en ruimtelijk speelgoed. Door herhaling en variatie ontstaan geheugensporen, waardoor nieuwe informatie sneller herkend en beter vastgehouden wordt in het werkgeheugen. Hierdoor verloopt de verwerking efficiënter en met minder inspanning.

4. Werk met visuele ondersteuning

Maak gebruik van visuele middelen om informatie begrijpelijker en aantrekkelijker te maken. Mentale schema’s, diagrammen, tekeningen of stappenplannen helpen jongeren om de aangeboden informatie beter te onthouden en later terug te halen. Visualiseren versterkt bovendien het ruimtelijk inzicht – bij jongens en meiden – en sluit goed aan bij de belevingswereld van jongeren, die vaak visueel is ingesteld (denk aan Instagram, YouTube en vlogs).

5. Bouw stap voor stap aan zelfregulatie

Executieve functies ontwikkelen zich geleidelijk en vragen tijd, oefening en geduld. Door kinderen en jongeren stap voor stap te ondersteunen – met taal, ervaringen, feedback en structuur – leg je een stevig fundament voor hun vermogen tot zelfregulatie. Daarmee help je niet alleen bij schools leren, maar ook bij het omgaan met emoties, plannen van taken en het maken van weloverwogen keuzes in sociale situaties.

Bron: Jelle Jolles (2025). Het tienerbrein: een ander perspectief. Gids voor ouders, leraren en andere opvoeders. Uitgeverij NeuroPsych Publishers.

Heb je vragen over dit thema? Stel ze in de onderwijs community binnen de Wij-leren.nl Academie!

Dossiers

Uw onderwijskundige kennis blijft op peil door 4000+ artikelen.