Handschriftdidactiek voor de PABO
Geraadpleegd op 09-12-2025,
van https://wij-leren.nl/handschriftdidactiek-voor-de-pabo.php
Laatst bewerkt op 1 december 2025

Het boek Handschriftdidactiek voor de Pabo is geschreven voor studenten aan de pabo en voor leerkrachten in het basisonderwijs. De auteurs, Marion van der Meulen & Lia Hesemans noemen het boek uitermate geschikt voor zelfstudie met weinig contacturen.’ In de inleiding wordt aangegeven dat er ‘geen diepgravende theorieën nodig zijn om het vak te kunnen doorgronden. Met de benodigde praktische informatie, goede materialen en gezond verstand kan iedereen handschriftles geven.’
Dat is ook de wijze waarop het boek is geschreven: Het boek heeft een aantrekkelijke, duidelijke opmaak. Veel onderwerpen over handschriftontwikkeling worden aangestipt, maar de onderbouwing vanuit de wetenschappelijke literatuur is beperkt. Veel wordt als ‘waar’ beschreven, maar kan sterker worden onderbouwd door verwijzingen naar relevante literatuur.
Bij aanschaf van het boek is een toegang beschikbaar voor online studiehulp.
Deze review is geschreven door leden van het multidisciplinair platform SchrijvenNL. Anneloes Overvelde draagt bij vanuit haar wetenschappelijke achtergrond. Rijn van de Rozenberg, schoolondersteuner en handschriftspecialist, richt zich op de praktische bruikbaarheid voor de leerkracht. Jorne Luten is leerkracht in het basisonderwijs en tevens opleider Handschriftonderwijs en Schrifteducatie aan een pabo; vanuit deze rol geeft hij feedback op de toepasbaarheid van het boek als handboek voor pabo-studenten.
We gaan eerst in op de inhoud van het boek en de bijbehorende online studiehulp. Vervolgens delen we onze feedback
Opmaak
Het boek bestaat uit drie delen (350 pagina’s). Ieder deel kent meerdere hoofdstukken. Elk hoofdstuk bestaat uit meerdere paragrafen en start steeds met een openingscasus ‘uit de praktijk’. De heldere opmaak en voorbeelden dragen bij aan de leesbaarheid. Ieder hoofdstuk eindigt met een samenvatting. Daarnaast zijn er per hoofdstuk vragen en opdrachten toegevoegd die je als pabo-student kunt uitvoeren.
Inhoud
Deel 1 Zo leer je succesvol een handschrift aan bevat volgens de auteurs - ‘alle informatie die je nodig hebt om het vak te kunnen geven’. In 10 hoofdstukken komen theoretische onderwerpen aan bod zoals ‘Noodzaak van het aanleren van een handschrift’ en ‘Wat heeft een kind nodig om te leren schrijven’. Ook onderwerpen zoals ‘Keuze tussen verbonden schrift en blokschrift’, ‘Met welk schrijfmateriaal geef je schrijfles’ en ‘Wat is een goed handschrift’ zijn vanuit theoretisch perspectief beschreven. De overwegingen tussen de keuze tussen verbonden en blokschrift zijn beschreven in hoofdstuk 3.
Deel 2 Voor als je meer wilt weten. Hier lees je de achtergrondinformatie over wat kinderen moeten kunnen en kennen om een handschrift aan te leren. De schrijfontwikkeling* is in fasen beschreven en gekoppeld aan de jaargroepen. Ook komt de schrijfontwikkeling in relatie tot grof- en fijnmotorische ontwikkeling en onderwijstheorieën aan bod.
In Deel 3 Schrijfonderwijs* in de praktijk ‘kun je per jaargroep opzoeken wat de essentie is van de lessen voor deze jaargroep (kleutergroepen, groep 3 en 4, groep 5 tot en met 8, en handschriftonderwijs in SBO, NT2-onderwijs en VO) met praktische tips en handige lijstjes voor direct gebruik’.
*De termen schrijfontwikkeling en schrijfonderwijs worden vaak gebruikt waar handschriftontwikkeling en handschriftonderwijs bedoeld worden. Een duidelijk onderscheid tussen schrijven als technische vaardigheid en schrijven als produceren van teksten zou meer duidelijkheid geven.
De online studiehulp
De online studiehulp is te openen met een unieke code en start met een persoonlijke toets.
Ieder hoofdstuk uit het boek is volledig op de website opgenomen. Aan het eind van ieder hoofdstuk zijn belangrijke woorden vermeld: een link koppelt deze woorden naar de juiste plek in de tekst. Na ieder hoofdstuk volgt een uitgebreide samenvatting van iedere paragraaf. Ieder hoofdstuk bevat een ‘hoofdstuktoets’.
Recensie
Dit boek sluit onvoldoende aan bij evidence-informed onderwijs: de wetenschappelijke basis is beperkt en de inhoud is vooral geschreven vanuit persoonlijke overtuigingen en expertise.
Schrijven met de hand is een cognitief-motorische taak.
In dit boek ligt de nadruk sterk op het motorisch aspect van het schrijven.
Daarbij worden echter geregeld aannames gedaan, zonder directe verwijzing naar wetenschappelijk onderzoek of evidence-based theorie. De lijst met publicaties over het motorische aspect van schrijven is beperkt en bevat voornamelijk publicaties van vóór 2015, terwijl recente literatuur voorhanden is.
We geven enkele voorbeelden van onduidelijkheden rondom het thema motoriek. Zo wordt de terminologie ‘procedureel geheugen’ of ‘spiergeheugen’ (pag. 19) slechts summier toegelicht, waardoor dit voor pabo-studenten verwarrend kan zijn. Pas in deel 3 (pag 285) volgt een uitgebreidere uitleg, met tekst en voorbeelden van de website Onderwijs van Morgen. Daaruit wordt duidelijk dat het automatiseren van (culturele) vaardigheden in het brein leidt tot onbewuste ‘ingesleten procedures’. Op dat moment is de term ‘spiergeheugen’ echter al meerdere keren gebruikt in een minder passende context.
Het gebruik van de term ‘autonoom’ in de context van motorische ontwikkeling (hoofdstuk 12) is onjuist gebruikt. Auteurs koppelen het begrip ‘autonoom’ aan leren rollen en kruipen van jonge kinderen. In de neurologische literatuur is ‘autonoom’ gekoppeld aan het onwillekeurige, ofwel vegetatieve zenuwstelsel. Mogelijk bedoelen de auteurs in dit geval ‘impliciete motorische ontwikkeling’, waarbij nieuwe bewegingen worden aangeleerd zonder dat de persoon zich bewust is van de specifieke bewegingsregels of details. Daar passen de - gekozen voorbeelden van rollen en kruipen bij.
De overwegingen om voor geschreven blokschrift te kiezen (paragraaf 3.7, pag. 60-61) zijn opgenomen in vijf bullets, die niet met literatuur onderbouwd zijn.
Bovendien gaan auteurs voorbij aan het cruciale motorische verschil tussen verbonden en blokschrift: het bij blokschrift bij elke letter precies starten en stoppen op het juiste punt vraagt juist veel van motorische controle (Shumway-Cook & Woollacott, 2016). Het aanleren van het letterspoor (produceren van de vorm) is bij blokletters weliswaar eenvoudiger, maar dit verschil speelt alleen een rol in de cognitieve (aanleer)fase. Zodra een leerling weet hoe het letterspoor in elkaar zit (en dat is binnen 6-8 keer uitleg, dus veelal binnen één les!), begint de associatieve fase waarbij de leerling meer controle krijgt over de uitvoering: letters worden kleiner geschreven en vloeiender. Deze fase duurt lang, wel tot eind groep 6. Pas dan zijn de motorische processen van het schrijven voldoende onder controle en spreken we van de automatische fase (Fitts & Posner, 1964). De genoemde vijf bullets lijken vooral een aanbeveling voor de blokschriftversie van de methode Pennenstreken.
Auteurs zijn geen voorstanders van het gebruik van het potlood in groep 3: ‘Schrijven met potlood in groep 3 mag vervangen worden door schrijven met een balpen, fineliner of rollerpen’. Deze uitspraak baseren zij op vroeger tijden toen er slechts kroontjespennen en potloden beschikbaar waren. Auteurs verwijzen hier naar een publicatie van de Kennisrotonde die zij onjuist geïnterpreteerd hebben: Juist het gebruik van verschillende materialen (dus ook een potlood) ondersteunt de leerling in het steeds leren aanpassen van druk, kracht en positie van het schrijfmateriaal bij het schrijfproces.
Juist het steeds leren aanpassen aan veranderende omstandigheden draagt bij aan soepel leren schrijven (NRO, 2023).
Een ander voorbeeld van onvoldoende onderbouwde informatie betreft de lijst met zes criteria om de leesbaarheid van het handschrift te beoordelen (pag. 146, figuur 7.3). Deze lijst is volledig gebaseerd op de eigen ervaring van de auteurs, zonder verwijzing naar bestaande literatuur. Internationaal is er veel onderzoek gedaan naar leesbaarheidscriteria, en op basis van deze literatuur, aangevuld met Nederlands onderzoek, is een genormeerde Nederlandse toets beschikbaar: de SOS-2-NL (Smits-Engelsman, Van Bommel & Van Waelvelde, 2014). Met de SOS-2-NL is het mogelijk het verbonden of blokschrift van leerlingen van groep 3-8 te beoordelen aan de hand van objectieve criteria en normen voor leesbaarheid en snelheid.
Tenslotte
Veel aspecten van handschriftontwikkeling worden aangestipt, maar blijven beperkt uitgewerkt en zijn eenzijdig belicht. Voor pabo-studenten is het juist belangrijk dat onderwijs evidence-based is en hun onderzoekend vermogen stimuleert.
Kennisoverdracht gebaseerd op een enkele, eenzijdige expertise is niet ideaal bij een cognitieve-motorische taak zoals schrijven met de hand.
Het verdient aanbeveling dit boek met kritische ogen te lezen. Het is de vraag of het geschikt is voor pabostudenten, helemaal wanneer het ingezet gaat worden als zelfstudieboek.
Dit artikel is mede geschreven door Jorne Luten en Rijn van de Rozenberg
De auteurs van Handschriftdidaktiek voor de pabo zijn tevens betrokken bij de (vernieuwde versie van) handschriftmethode Pennestreken.
Bestellen
Het boek Handschriftdidactiek is te bestellen via bol.com:
