Als alle breinen leren
Nelleke Herrewijnen
coach, adviseur, trainer, leerkracht po bij Kijkwijzercoaching
Geraadpleegd op 11-08-2026,
van https://wij-leren.nl/als-alle-breinen-leren.php
Laatst bewerkt op 6 juli 2026

Als we het hebben over inclusief onderwijs is Als alle breinen leren een must-read. In dit boek laat Saskia Schepers zien dat neuro-inclusief onderwijs niet alleen nodig is voor neurodiverse breinen, maar dat uiteindelijk iedereen daar baat bij heeft. Het boek raakt een gevoelige snaar: er zijn teveel leerlingen op wie het onderwijs niet goed afgestemd is; kinderen die worstelen omdat hun leerwijze niet passend is bij het standaard-onderwijs. Het goede nieuws is: er bestaan talloze mogelijkheden om breinvriendelijk onderwijs te creëren!
Het boek is opgebouwd uit 3 delen en geeft zowel onderbouwde kennis over verschillende breinen, als praktische voorbeelden en tips over hoe het onderwijs beter afgestemd kan worden op deze breinen. Het is een naslagwerk dat je uit de kast kunt pakken en steeds naast je onderwijspraktijk kunt leggen.
Deel 1: Neurodiversiteit en onderwijs
In het eerste deel legt Saskia Schepers uit wat neurodivergentie eigenlijk is: een verzamelnaam voor alle breinen die anders werken dan ‘neurotypisch’. De meest bekende zijn ADHD, hoogbegaafdheid, dyslexie, ASS en hoogsensitiviteit (verderop in het boek worden ook dyspraxie of DCD, synesthesie, Tourette, dyscalculie, afantasie en NAH kort toegelicht). Vaak komen meerdere kenmerken tegelijkertijd voor, met zowel talenten en uitdagingen. Schepers noemt het voorbeeld van de vis die gevraagd wordt in de boom te klimmen; neurodivergente leerlingen zijn vaak (heel) goed in bepaalde dingen en minder vaardig op andere vlakken. Hierdoor ontstaan ‘spiky profiles’: grote pieken en dalen in mogelijkheden en kunnen. Er worden voorbeelden gegeven van succesvolle neurodiverse breinen.
In het onderwijs komen lang niet alle breinen tot bloei. Het schoolsysteem is voor veel neurodiverse breinen een uitdaging of zelfs een obstakel.
Dit heeft alles te maken met het gebrek aan flexibiliteit binnen dit systeem; het onderwijs is vaak gericht op samenwerken, is taliger geworden. Binnen het VO is minder structuur en wordt veel flexibiliteit van leerlingen verwacht en de digitalisering speelt een grote rol. Voor een groep leerlingen zijn dit belemmeringen waardoor ze moeite hebben om bij te blijven.
Neurodivergente leerlingen worden ook wel de ‘kanaries in de kolenmijn’ genoemd: ze signaleren tekortkomingen in het systeem en leggen geen ‘special needs’ maar ‘human needs’ bloot. Neuro-inclusief onderwijs is daarmee kwalitatief beter, omdat met het juiste vertrekpunt elk kind beter leert. Schepers noemt 6 voorbeelden van verbetering door neuro-inclusie:
- vermindering van de stigmatisering;
- persoonlijk afgestemd onderwijs;
- verbetering van sociale vaardigheden en samenwerking;
- voorkomen van mentale gezondheidsproblemen;
- benutten van neurodivergent talent en i
- edereen de eindstreep laten halen.
Uiteindelijk wordt iedereen daar slimmer en socialer van en bespaart het veel geld op speciaal onderwijs en jeugdzorg. Dat brengt ons in het volgende deel: hoe dan?
Deel 2: Zo leren alle breinen wel
De basis naar breinvriendelijk leren begint met de afstemming vanuit de onderwijsdriehoek: School (docent)-leerling-ouders. Dit deel verkent alle hoeken van deze driehoek; de afzonderlijke perspectieven, maar ook de relaties en dynamiek tussen de partijen.
Bij veel leerlingen met een neurodivers brein raakt het leervuur (de aangeboren drang om te leren en ontdekken) uitgedoofd, en het is aan ons om het vuur weer aan te wakkeren.
Schepers introduceert het leervuurmodel, waarbij het uitgangspunt is om de juiste voorwaarden te creëren waardoor kinderen tot leren komen. Het model richt zich op 5 belangrijke facetten:
- regulatie;
- informatieverwerking;
- sterke punten;
- een veilige omgeving, en
- perspectief.
Dit zijn bouwstenen waarmee het leerproces in beweging wordt gebracht en de intrinsieke motivatie gevoed blijft. Het raakt aan de zelfdeterminatietheorie waarin de psychologische basisbehoeften verbondenheid, competentie en autonomie worden gezien als aandrijvers van ontwikkeling. Het zien en begrijpen van de onderlinge verbanden van het leervuurmodel is cruciaal en hiermee kunnen we een leeromgeving creëren waarin een kind echt tot bloei komt.
Ouders zijn de tweede partij van de onderwijsdriehoek. Er wordt gekeken naar een brede sociale context, niet alleen thuis, maar ook de sociale omgeving waarin een kind leeft. Bij elk subhoofdstuk zit een stukje reflectie, waarbij je als ouder gestimuleerd wordt om na te denken over je eigen situatie.
Ook voor thuiszitters is in het boek ruimte gemaakt.
Daarbij komt aan bod wat bij hun situatie speelt: de gebruikelijke zorgroute die vaak wordt bewandeld, maar ook wat er gebeurt wanneer je een andere weg inslaat.
Goed onderwijs begint bij goede docenten. Het brein en de bedrading van de docent spelen een rol in de afstemming op de leerlingen, maar ook de relatie tot de leerling en het klassenklimaat. Ook bij dit hoofdstuk is er steeds weer ruimte voor reflectie.
Schepers geeft 5 tips voor meer inclusie in de klas:
- visualiseren;
- antwoorden herhalen;
- leren overzicht houden;
- ontprikkelen en
- het geven en toepassen van concentratietips.
De docent staat niet op zich, maar is ook weer een schakel in het onderwijsteam en de school, waarbij ook het bestuur en betrokken partijen aandacht krijgen in het boek. Schoolleiders en schoolbesturen scheppen tenslotte de voorwaarden en zijn een inspiratie om een meer neuro-inclusieve weg in te slaan. Er worden veel voorbeelden gegeven en ook hier komen de reflectievragen steeds weer terug.
Deel 2 wordt afgesloten met redelijke toevoegingen die helpen om neuro-inclusiever te worden:
- flexibiliteit;
- keuzemogelijkheid en
- informatie (of middelen).
Hierbij worden verschillende voorbeelden uitgewerkt. De laatste redelijke toevoeging is het advies om neurodiversiteit meer bespreekbaar te maken en te normaliseren; er zijn zoveel verschillende soorten breinen, laat dat het normaal zijn.
Deel 3: Handreikingen voor neurodivergente breinen
Het laatste deel start met de discussie over de zin en onzin van labels. Een diagnose kan een kind tekortdoen maar ook zelfinzicht geven en veel leed voorkomen. Ook de opmerking ‘tegenwoordig heeft iedereen ADHD’ komt naar voren en wordt weerlegd.
Overigens neemt Schepers geen standpunt in maar wil de nadruk leggen op eigenschappen van de neurotypen, om herkenning te faciliteren en voorbij de stigma’s te kunnen kijken.
Verder worden de breinvarianten dyslexie, hoogsensitiviteit, TOS, ADHD, (uitzonderlijk) hoogbegaafdheid en autisme onder de loep genomen. Iedere variant wordt toegelicht aan de hand van:
- wat is het;
- hoe herken je het;
- waar lopen deze breinen tegen aan;
- waar lopen ze specifiek in het onderwijs tegenaan;
- wat zijn de kwaliteiten en wat is er onmisbaar in de leeromgeving.
Ook worden er suggesties gedaan voor de minst beperkende omgeving en geven ervaringsdeskundigen tips.
Recensie
Saskia Schepers heeft ons met dit boek een compleet naslagwerk gegeven dat in iedere onderwijssituatie relevant is. Het is een boek om te lezen, maar vooral ook om steeds weer even uit de kast te pakken en stukjes te herlezen om de tips helder te krijgen. Het is concreet en praktisch toepasbaar. De visie erachter is zo mooi: we hebben iedereen nodig, alle breinen samen leiden tot een collectieve intelligentie die we als menselijke soort nodig hebben om te overleven en te innoveren.
Het boek bevat leuke extra’s: een checklist voor neurodiversiteitsvaardigheden, een breinhandleiding voor kinderen (in diverse varianten) en een uitleg voor het maken van een ‘spiky profile’. Op de website van Saskia Schepers kun je deze ook digitaal downloaden.
Bestellen
Het boek Als alle breinen leren is te bestellen via bol.com:
