Kijk eens bij de Nieuwe onderwijsboeken!

Samenvatting en bespreking: Hoe de manier van college volgen invloed heeft op cijfers

Nico den Breejen
Onderwijskundige bij Wij-leren.nl  

Den Breejen, N. (2025). Samenvatting en bespreking: Hoe de manier van college volgen invloed heeft op cijfers.
Geraadpleegd op 09-12-2025,
van https://wij-leren.nl/Samenvatting-college-online-locatie.php/
Geplaatst op 31 oktober 2025
Laatst bewerkt op 6 november 2025
samenvatting en bespreking: Hoe de manier van college volgen invloed heeft op cijfers

Samenvatting

Sinds de coronapandemie zijn livestreams van colleges niet meer weg te denken uit het hoger onderwijs. Studenten kunnen het college volgen in de zaal, gelijktijdig online via een livestream of achteraf via een opname. Maar wat betekent die keuzeruimte voor de leeropbrengsten? Leiden al die vormen van deelname tot dezelfde resultaten op de toets?


Dit artikel is een samenvatting en bespreking van het Engelstalige artikel 'The relationship between attending a lecture in-person, synchronously online or asynchronously online and student grade' (2025) van Koen van den Oever en Stephanie Koornneef. Dit artikel is door Wij-leren ook volledig in het Nederlands vertaald.  Wil je meer ontdekken over leren en het brein? Neem dan een kijkje in ons gratis kennisdossier 'Het brein en leren' van de Wij-leren Academie. 


Een recente studie binnen een grootschalige bachelorcursus aan een Nederlandse universiteit biedt nieuwe inzichten. Meer dan 700 studenten stonden ingeschreven voor een collegereeks in strategisch management. Van hen vulden 171 een vragenlijst in over hoe ze elk college hadden gevolgd. Deze zelfgerapporteerde gegevens zijn per college gekoppeld aan het aantal correcte antwoorden op het tentamen over desbetreffende bijeenkomst. De centrale vraag: maakt het voor je cijfer uit hoe je een college volgt?

Live kijken, achteraf kijken of aanwezig zijn: leiden al die vormen van leren tot hetzelfde resultaat?

Drie vormen van deelname

In het onderzoek zijn drie vormen van deelname vergeleken: fysiek aanwezig zijn in de zaal, live online meekijken via een livestream, of het college later terugkijken via een weblecture. Studenten gaven per college aan hoe ze hadden deelgenomen. Deze informatie is gecombineerd met hun prestaties op tentamenvragen over dat specifieke college.

Dankzij deze koppeling kon nauwkeurig worden onderzocht of deelnamevorm invloed had op het leerresultaat. Er werd gecontroleerd voor allerlei factoren die leerprestaties kunnen beïnvloeden, zoals het aantal gevolgde vakken, voorbereidingstijd, eerdere cijfers, geslacht, nationaliteit en examentijd. Door deze zorgvuldige aanpak werd het effect van de deelnamevorm zo zuiver mogelijk ingeschat.

Door colleges en toetsresultaten te koppelen, wordt zichtbaar wat deelname oplevert.

Geen prestatieverschil tussen zaal, livestream en opname

De uitkomst is opvallend: studenten presteren even goed, ongeacht of ze fysiek aanwezig waren, live meekeken of achteraf terugkeken. Alleen studenten die een college helemaal niet volgden, scoorden significant lager op de bijbehorende tentamenvragen.

Ook in aanvullende analyses blijft dit beeld overeind. De totaalscore op het tentamen laat hetzelfde patroon zien, net als modellen die corrigeren voor mogelijke verschillen tussen docenten of colleges. Zolang studenten de inhoud op één van de drie manieren tot zich nemen, blijkt de gekozen vorm geen invloed te hebben op hun prestatie.

Alleen wie het college overslaat, scoort aantoonbaar lager.

Gebruikspatronen en waardering van studenten

De gegevens laten ook zien hoe studenten gebruik maken van deze flexibiliteit. Weblectures worden het meest gebruikt, gevolgd door livestreams en pas daarna fysieke aanwezigheid. Vrouwelijke studenten kozen in dit onderzoek relatief vaker voor de livestream.

In evaluaties noemen studenten de keuzevrijheid en flexibiliteit als grote voordelen. Voor studenten met een lange reistijd of andere verplichtingen kan het verschil tussen wel of niet deelnemen afhangen van de beschikbaarheid van een livestream of opname. Ook het kunnen terugkijken wordt gewaardeerd, net als de mogelijkheid tot live interactie via chat of polls tijdens de livestream. In deze cursus werd die interactie bewust gefaciliteerd. Dit droeg bij aan de betrokkenheid van de studenten.

Interactieve livestreams zorgen dat online deelname niet passief hoeft te zijn.

Beter dan het beeld uit oudere literatuur

De studie biedt een genuanceerd tegenwicht aan de vaak negatieve conclusies uit oudere literatuur over online onderwijs. Veel van die studies gingen over volledig asynchrone online cursussen, waarin studenten weinig structuur of begeleiding ervaren. Livestreams kennen andere kenmerken: ze zijn synchroon, sluiten aan bij reguliere colleges en bieden directe interactie.

In de onderzochte setting, waar het klassieke hoorcollege simultaan fysiek, synchroon online en asynchroon beschikbaar werd gesteld, zijn er dus geen prestatieverschillen zichtbaar. De didactiek bleef gelijk, de inhoud was identiek en studenten hadden keuzevrijheid zonder leerverlies.

Deze studie laat zien dat online onderwijs niet per se minder effectief hoeft te zijn.

Kaders voor beleid en praktijk

De resultaten zijn beleidsmatig relevant. Een trimodale opzet vergroot de toegankelijkheid van het onderwijs zonder dat dit ten koste gaat van de prestaties. Wel vraagt dit om aandacht voor de inrichting van het onderwijs. Livestreams moeten technisch goed verzorgd zijn, interactie moet bewust worden ingebouwd en docenten moeten ook de online deelnemers actief betrekken.

Docenten hoeven hun hele didactiek niet om te gooien. Kleine aanpassingen (zoals het zichtbaar beantwoorden van chatvragen of het inbouwen van een checkvraag) kunnen al voldoende zijn om ook online studenten effectief te bereiken.

Conclusie: meer keuze, gelijke leeropbrengst

Deze studie toont aan dat studenten vergelijkbare leerresultaten behalen, ongeacht of ze een college fysiek volgen, live online bijwonen of achteraf terugkijken. De meerwaarde van multimodaal onderwijs zit in de vergrote toegankelijkheid en keuzeruimte, niet in het verschil in effectiviteit.

Wie een college volgt, leert ervan. De vorm waarin dat gebeurt, is minder bepalend. Dat biedt ruimte voor instellingen om met vertrouwen te blijven investeren in flexibel en inclusief onderwijs, zonder concessies te doen aan kwaliteit.

Wie een college volgt, leert ervan. De vorm waarin dat gebeurt, is minder bepalend. 

Recensie 

Dit onderzoek van Koen van den Oever en Stephanie Koornneef levert een waardevolle en bijzonder actuele bijdrage aan het debat over de toekomst van onderwijs in het hoger onderwijs. Sinds de coronapandemie worstelen universiteiten wereldwijd met de vraag hoe online, hybride en fysiek onderwijs zich tot elkaar verhouden. Deze studie biedt daar een zorgvuldig en empirisch onderbouwd antwoord op, gebaseerd op gedegen veldonderzoek. De onderzoekers laten zien dat studenten die colleges fysiek bijwonen, synchroon online volgen via een livestream of asynchroon terugkijken, vergelijkbare tentamenresultaten behalen. Dat maakt het onderzoek niet alleen methodologisch interessant, maar ook maatschappelijk relevant: het nuanceert hardnekkige opvattingen over de vermeende inferioriteit van online leren.

Sterke punten

1. Relevantie en actualiteit

De studie speelt in op een urgente onderwijsvraag: hoe behouden we toegankelijkheid en kwaliteit in het onderwijslandschap na de covidpandemie? Terwijl veel instellingen terugkeerden naar fysiek onderwijs, kiezen anderen juist voor digitalisering. Dit onderzoek biedt harde data die beleidsmakers, docenten en onderwijsontwerpers kunnen gebruiken om dat gesprek op basis van bewijs te voeren. De boodschap dat een multimodale cursusopzet toegankelijkheid vergroot zonder prestatieverlies, is krachtig en actueel.

Dit onderzoek brengt feiten in een debat dat vaak door aannames wordt gedreven.

2. Grondige en evenwichtige literatuurstudie

De kwaliteit van de literatuurstudie is een sterk punt van dit onderzoek. Van den Oever en Koornneef schetsen een helder en volledig overzicht van het bestaande onderzoek naar online, blended en fysiek onderwijs. Ze plaatsen hun eigen werk zorgvuldig in de context van eerdere bevindingen en laten zien dat de discussie over de effectiviteit van online onderwijs niet zwart-wit is. 

De auteurs structureren de literatuur op een toegankelijke manier door de verschillende onderwijsvormen naast elkaar te zetten, inclusief de onderliggende mechanismen die invloed kunnen hebben op prestaties. In Figuur 1 worden de voordelen en nadelen van fysiek, synchroon online, asynchroon online en blended onderwijs overzichtelijk samengevat. 

Figuur 1. De voor- en nadelen van de verschillende onderwijsvormen.

Wil je deze infographic gratis downloaden in hoge resolutie? Schrijf je dan in voor het kennisdossier 'Het brein en leren' van de Wij-leren Academie. 

3. Ethisch en realistisch onderzoeksontwerp

De onderzoekers verdienen lof voor hun ethische zorgvuldigheid. In de context van de covidperiode kozen zij er bewust voor om studenten niet willekeurig toe te wijzen aan een onderwijsvorm. In plaats daarvan werd gewerkt met vrijwillige zelfselectie, een keuze die wetenschappelijk minder goed werkt in causaliteitsopzicht, maar maatschappelijk en pedagogisch juist verstandig is. Studenten hadden immers jarenlang te maken met vervelende omstandigheden: van maandenlang thuisonderwijs, ziekte en quarantaine tot mentale gevolgen van de covidpandemie. De gekozen aanpak doet recht aan de student en sluit aan bij de onderwijspraktijk. Tegelijkertijd is de methodologische onderbouwing degelijk, met robuuste statistische analyses die het risico op vertekening beperken.

Zelfselectie was geen zwaktebod, maar een bewuste keuze voor menselijkheid.

4. Methodologische degelijkheid

Het gebruik van paneldata op studentniveau is een sterk punt van dit onderzoek. Door per college te koppelen hoe een student deelnam en hoe goed die student scoorde op tentamenvragen over dat college, ontstaat een precieze meting van het verband tussen deelnamevorm en prestatie. De keuze voor een random effects-model, ondersteund door een Hausman-test, is goed verantwoord. Ook is zorgvuldig gecontroleerd voor tal van relevante achtergrondvariabelen (studieprogramma, herkansingen, voorbereidingstijd, geslacht, nationaliteit, et cetera).  

5. Combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve data

De toevoeging van kwalitatieve data uit cursusevaluaties geeft het onderzoek een menselijke dimensie. De stem van studenten maakt duidelijk wat cijfers alleen niet laten zien: hoe belangrijk flexibiliteit, bereikbaarheid en betrokkenheid zijn in het ervaren leren. Juist in tijden van druk op studentenwelzijn en studiedruk is dit heel relevant. De positieve studentervaringen onderbouwen de kwantitatieve conclusie dat een multimodale opzet effectief kan zijn, zonder aan kwaliteit in te boeten.

Cijfers vertellen veel, maar studentenstemmen geven die cijfers betekenis.

6. Beleidsmatige en maatschappelijke waarde

De implicaties van dit onderzoek reiken verder dan de academische discussie. Universiteiten die zoeken naar een verantwoorde balans tussen fysiek en online onderwijs vinden hier een goed onderbouwd antwoord. Juist voor studenten met lange reistijden, zorgtaken of een beperking blijkt de beschikbaarheid van livestreams en opnames het verschil te maken. Daarmee draagt dit onderzoek bij aan een toegankelijker en inclusiever onderwijsaanbod.

Kritische kanttekeningen

1. Leerprestaties meten is niet hetzelfde als diep leren

De keuze om toetsresultaten als uitkomstmaat te gebruiken is begrijpelijk: ze zijn concreet, objectief en goed te analyseren. Tegelijkertijd laat zo’n maat slechts een deel van het leerproces zien. Het tentamen bestond uit 50 meerkeuzevragen. Zulke vragen vangen niet altijd dimensies als diep begrip, transfer naar de praktijk of reflectie. De onderzoekers onderkennen dit zelf ook en pleiten terecht voor vervolgonderzoek naar bredere uitkomsten. Hierin is het belangrijk ook zachtere opbrengsten mee te nemen, zoals motivatie, betrokkenheid of welzijn. 

2. Contextgebonden resultaten

De studie richt zich uitsluitend op hoorcolleges binnen een grootschalige bacheloropleiding. Dat is een passende en goed afgebakende context, maar daarmee zijn de resultaten ook beperkt tot die specifieke onderwijsvorm. De bevinding dat livestreams of opnames gelijkwaardige toetsresultaten opleveren, zegt weinig over andere onderwijspraktijken. In kleinschalig onderwijs, zoals werkgroepen, praktijklessen of samenwerkend leren, spelen directe interactie, groepsdynamiek en non-verbale signalen een veel grotere rol. 

Ook in andere sectoren zoals het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo of hbo is de onderwijsvorm wezenlijk anders. De conclusie dat vorm van deelname geen invloed heeft op leerprestaties kan dan ook niet worden doorgetrokken naar die contexten. Dat vraagt om terughoudendheid in beleidsmatige interpretaties buiten de huidige context: hoorcolleges op de universiteit. 

Wat geldt voor hoorcolleges, geldt niet automatisch voor elk type onderwijs.

3. Terughoudendheid met de term ‘leerstijl’ is gepast

In de discussie van het artikel komt kort het idee van leerstijlen voorbij als verklaring voor verschillen in voorkeuren. Dat is een zwakker punt in een verder sterk betoog. Binnen de cognitieve psychologie bestaat brede consensus dat stabiele leerstijlen niet bestaan en dat onderwijs afstemmen op zulke profielen geen effect heeft op leerprestaties. 

Voorkeuren bestaan uiteraard wel (studenten verschillen in wat zij prettig vinden of praktisch haalbaar achten) maar dat is iets anders dan een vaste ‘stijl’. De term ‘leerstijl’ suggereert een psychologisch profiel dat in de praktijk niet houdbaar blijkt. De koppeling met de term ‘leerstijl’ lijkt in dit onderzoek dus minder gepast.

Conclusie

Dit onderzoek is zorgvuldig, actueel en maatschappelijk relevant. De onderzoekers laten zien dat je ook zonder strikte randomisatie tot waardevolle inzichten kunt komen. De conclusie is duidelijk: als studenten het college volgen, maakt de vorm nauwelijks uit voor hun prestaties. Dat is een geruststellende en richtinggevende boodschap voor instellingen die zoeken naar balans tussen digitalisering en fysiek onderwijs.

Wat dit onderzoek bijzonder maakt, is de combinatie van empirische degelijkheid en maatschappelijke relevantie. De uitkomst (dat een multimodale opzet gelijke prestaties oplevert en meer flexibiliteit mogelijk maakt) biedt een hoopvol perspectief voor de toekomst van het hoger onderwijs. De verwijzing naar leerstijlen had scherper gekund, maar doet geen afbreuk aan de waarde van deze studie. Van den Oever en Koornneef leveren een belangrijke bijdrage aan het gesprek over hoe we onderwijs inrichten in een veranderende wereld.

De vorm van onderwijs verandert, maar de kern blijft: goed leren kan op meer dan één manier.

Referenties

  • De Bruyckere, P., & Hulshof, C. (2013). Jongens zijn slimmer dan meisjes. Lannoo/Van Duuren.
  • Hattie, J., & O’Leary, T. (2025). Learning styles, preferences, or strategies? an explanation for the resurgence of styles across many meta-analyses. Educational Psychology Review, 37(2), 1-26.
  • Van den Oever, K., & Koornneef, S. (2025). The relationship between attending a lecture in-person, synchronously online or asynchronously online and student grade. The International Journal of Management Education, 23(2), 101171.
Heb je vragen over dit thema? Stel ze in de onderwijs community binnen de Wij-leren.nl Academie!

Dossiers

Uw onderwijskundige kennis blijft op peil door 4000+ artikelen.