Algemeen
Pedagogische opdracht Mindsets op school Kindgericht onderwijs 3000 jaar denkers over onderwijs Creativiteit bevorderen Het prachtige risico van onderwijs Lezend in Biesta Wereldgericht onderwijs Wereldgericht onderwijs Interactiewijzer Doel van onderwijs Ondernemende pedagogen Pedagogisch kader Subjectificatie Biesta reflectie Complimenten en belonen Groepssamenstelling Verwachtingen Wij, de leraar
Overdenken en doen
Overdenken en doen Een denkpauze Leraren en leerlingen Ontwikkeling van kinderen Leren en onderwijzen Paradoxen Intern werkmodel Werkmodel leerling Zelfvertrouwen Professionalisering Faalangst begeleiden Lof der zotheid Pedagogisch contact
Klimaat
Hoge verwachtingen Pedagogisch basisklimaat Attitude in de klas Grip op de groep Groepsklimaat Groepsprocessen Klassenkracht Negatieve effecten smartphone Pedagogisch klimaat Aanraken van kinderen Pedagogisch leiderschap Pedagogische tact Groepsvorming De Ringaanpak Positive Behavior Support Veilige school Mindfulness in de klas Fysiek straffen Verbaal uiten gevoelens bevordert welbevinden? Hoe kunnen scholen discriminatie voorkomen? Werkklimaat tips
Kernkwaliteiten
Coachen van leerlingen Ik heb ook wat te vertellen Kernkwaliteiten Vragen stellen Positieve psychologie Toetsrevolutie
Pesten
Alles over pesten Cyberpesten en andere digitaal ongewenst gedrag Gevolgen van pesten Meidenvenijn Pesten groepsaanpak Pesten aanpakken Vijfsporenaanpak pesten Steungroepaanpak Pesten tips No blame-methode Pesterijen op school

 

Draagt het verbaal uiten van gevoelens bij aan het welbevinden van leerlingen?

Geplaatst op 20 april 2017

Samenvatting

Taalontwikkeling speelt een belangrijke rol in de emotionele ontwikkeling. Hoe taliger kinderen zijn, hoe makkelijker zij hun gevoelens kunnen benoemen en uitleggen. Het is dus essentieel dat kinderen een gevoelswoordenschat opbouwen. Leerlingen die hun ervaren gevoel niet in woorden kunnen omzetten, zullen andere wegen zoeken (slaan, zich terugtrekken) om uitdrukking te geven aan innerlijke onrust. Goede communicatievaardigheden verminderen het risico op emotionele problemen. Over de specifieke invloed van praten over gevoelens op het welbevinden van leerlingen, zijn echter geen onderzoeksresultaten bekend.

Het welbevinden van leerlingen als opbrengst van onderwijs, krijgt pas de laatste jaren aandacht. Langzaam maar zeker komen instrumenten beschikbaar om het welbevinden, en de daaraan bijdragende sociale en emotionele vaardigheden, in kaart te brengen of te beïnvloeden. De emotionele ontwikkeling - het leren omgaan met emoties - van kinderen in de basisschoolleeftijd verloopt stapsgewijs, en met grote individuele verschillen. Een kind leert eerst de eigen emoties te herkennen en uit elkaar te houden. Vooral jonge kinderen verwarren gevoelens als teleurstelling, boosheid en verdriet nog wel eens met elkaar. Kleuters kunnen steeds beter hun emoties herkennen en uit elkaar houden.

Vier- en vijfjarigen uiten zich vooral non-verbaal via gezichtsuitdrukking en lichaamshouding. Denk aan kleuters die emoties groots en overdreven uitbeelden, bijvoorbeeld door te juichen met de armen in de lucht of door te stampvoeten bij boosheid of frustratie. Vanaf ongeveer vijf jaar ondersteunen kinderen deze lichaamsuitdrukkingen steeds vaker met woorden: ‘Ik ben boos’. Vanaf groep drie kunnen kinderen uitleggen waarom ze boos of verdrietig zijn. Eerst heel eenvoudig en kort, maar hoe ouder, hoe preciezer. In de middenbouw en bovenbouw laten kinderen zich steeds minder vaak overspoelen door heftige emoties. Ze kunnen gevoelens van frustratie of boosheid tonen met woorden en weten zich in te houden als de situatie dat vereist. Daarnaast kunnen oudere kinderen de complexere gevoelens, zoals schaamte, trots en jaloezie bespreken.

Taalontwikkeling

Het is daarom belangrijk dat kinderen een ‘taal’ leren om over hun gevoelens te praten en denken. Leerlingen die hun gevoel niet kunnen verwoorden, worden bijvoorbeeld agressief of trekken zich terug. Hoe ouder kinderen zijn, hoe meer van ze wordt verwacht dat ze met taal uiting geven aan hoe ze zich voelen. Waar een kleuter nog mag huilen of schoppen als iets hem niet zint of iets niet lukt, vinden we dat bij een kind uit groep 8 ongepast.

Kinderen leren het talig uiten van hun emoties van anderen, van hun ouders of op school. Opvoeders die een gesprekje aangaan met het kind dat boos of verdrietig is, leren het kind woorden te geven aan hun emoties. Door regelmatig te praten over gevoelens bouwen kinderen een gevoelswoordenschat op. Hoe meer gevoelswoorden kinderen tot hun beschikking hebben, hoe nauwkeuriger ze kunnen zeggen hoe ze zich voelen. Het maakt bijvoorbeeld nogal een verschil of een kind kan zeggen: ‘Nee, ik ben niet gewoon boos, ik ben woest’.

Een school kan op verschillende manieren aandacht besteden aan het verwoorden van gevoelens als onderdeel van de emotionele ontwikkeling en het welbevinden van leerlingen. Zo zijn er universele programma’s die zich richten op een breed scala aan sociaal-emotionele vaardigheden. Deze hebben vaak een leerlijn voor kinderen van vier tot twaalf jaar. Het werken met zo’n schoolbreed sociaal-emotioneel programma heeft een aantal voordelen: het werkt systematisch en planmatig, betrekt alle kinderen uit de klas (niet alleen de kinderen met problemen), het garandeert een doorlopende leerlijn en het verschaft leerkrachten veel werkvormen en materialen die zij anders zelf zouden moeten maken. Het werken met een dergelijk programma – er zijn er tientallen beschikbaar - heeft positieve effecten op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen, zoals op hun zelfcontrole en emotionele vaardigheden. Verder zijn er specifieke programma’s, die zich focussen op deelvaardigheden.

Uitgebreide beantwoording

Opgesteld door: Sandra Beekhoven (kennismakelaar Kennisrotonde) en Karin Vander Heyden (Sardes).
Vraagsteller: leerkracht primair onderwijs

Vraag

Draagt het verbaal uiten van gevoelens bij aan het welbevinden van leerlingen op de basisschool?

Kort antwoord

Op deze vraag naar de invloed van praten over gevoelens op het welbevinden van leerlingen, levert de wetenschap geen antwoord. Dat heeft er waarschijnlijk mee te maken dat het welbevinden van leerlingen, als opbrengst van onderwijs, pas de laatste jaren veel belangstelling krijgt. In veel landen wordt het belangrijk gevonden dat in het onderwijs aandacht is voor het welbevinden van kinderen en er komen daarom meer instrumenten om het welbevinden en de daaraan bijdragende sociale en emotionele vaardigheden in kaart te brengen, of te beïnvloeden (Miyamoto, Huerta, & Kubacka, 2015).

In onderzoek naar emotionele- of gedragsproblemen worden goede communicatievaardigheden wel genoemd als een van de vele factoren (zowel op het niveau van het kind, zijn gezinssituatie, de klas en de school) die het risico op emotionele problemen kunnen verminderen (Cefai & Camilleri, 2015). De noodzaak van specifiek het praten over gevoelens in relatie tot welbevinden is tot nu toe geen onderwerp van onderwijsonderzoek geweest.

We vonden wel onderzoek naar het belang van taal en het praten over gevoelens in verschillende fases van de emotionele ontwikkeling. In dit antwoord gaan we daar kort op in. We noemen ook enkele sociaal-emotionele programma’s die hier aandacht aan besteden. De belangrijkste les hiervan is dat kinderen gedurende de basisschoolperiode een gevoelswoordenschat moeten opbouwen.

Toelichting antwoord

Fases in de emotionele ontwikkeling

De emotionele ontwikkeling (het leren omgaan met emoties) van kinderen in de basisschoolleeftijd verloopt over het algemeen stapsgewijs, maar met grote individuele verschillen in snelheid (Hoekman, Miedema, Otten, & Gielen, 2008). Een kind leert allereerst de eigen emoties te herkennen en uit elkaar te houden. Vooral jonge kinderen verwarren gevoelens als teleurstelling, boosheid en verdriet nog wel eens met elkaar. We zien dat kleuters steeds beter hun emoties kunnen herkennen en uit elkaar houden, en dat ze deze ook steeds beter kunnen uiten. Bij jonge kleuters (4/5 jaar oud) gebeurt dit uiten nog vooral non-verbaal via de gezichtsuitdrukking en lichaamshouding. Je ziet vaak dat kleuters emoties groots en overdreven uitbeelden, bijvoorbeeld door te juichen met de armen in de lucht of door te stampvoeten bij boosheid of frustratie.

Vanaf ongeveer vijf jaar ondersteunen kinderen deze lichaamsuitdrukkingen steeds vaker met woorden: ‘Ik ben boos’. Vanaf groep drie kunnen kinderen ook steeds beter uitleggen waarom ze boos of verdrietig zijn. Eerst nog heel eenvoudig en kort, maar hoe ouder, hoe preciezer. In de middenbouw en bovenbouw merk je dat kinderen zich steeds minder vaak laten overspoelen door heftige emoties. Ze kunnen gevoelens van frustratie en/of boosheid tonen met woorden en weten zich in te houden als de situatie dat vereist. Daarnaast kunnen oudere kinderen ook de complexere gevoelens, zoals schaamte, trots en jaloezie bespreken.

De rol van taal                     

Bovenstaande laat zien dat de taalontwikkeling een belangrijke rol speelt in de emotionele ontwikkeling (zie ook: Harris, Rosnay, & Pons, 2005). Hoe meer taal kinderen tot hun beschikking hebben, hoe makkelijker zij hun gevoelens kunnen benoemen en kunnen uitleggen waarom ze zich zo voelen. Het is dus belangrijk dat kinderen een “taal” leren om over hun gevoelens te praten en denken (Weare, 2004). Leerlingen die hun ervaren gevoel niet in woorden kunnen omzetten, zullen andere wegen zoeken (slaan, zich terugtrekken) om uitdrukking te geven aan innerlijke onrust. Hoe ouder kinderen zijn, hoe meer van ze wordt verwacht dat ze met taal kunnen uitspreken hoe ze zich voelen. Waar een kleuter nog best eens mag huilen of schoppen als iets hem niet zint of iets niet lukt, zien we dat bij een kind uit groep 8 vaak als ongepast.

Onderzoekers nemen aan dat kinderen het talig uiten van hun emoties moeten leren van anderen, bijvoorbeeld van hun ouders of op school (Cole, Armstrong, & Pemberton, 2010). Opvoeders die een gesprekje aan gaan met het kind dat boos of verdrietig is, leren het kind woorden te geven aan hun emoties. Door regelmatig te praten over gevoelens bouwen kinderen een gevoelswoordenschat op. Hoe meer gevoelswoorden kinderen tot hun beschikking hebben, hoe nauwkeuriger ze kunnen zeggen hoe ze zich voelen. Het maakt bijvoorbeeld nogal een verschil of een kind kan zeggen: “Nee, ik ben niet gewoon boos, ik ben woest” (Snip, 2017). Het programma PAD geeft een overzicht van welke emotiewoorden er zijn en op welke leeftijd je deze aanleert (Greenberg et al., 2005). Waar je zou verwachten dat op jonge leeftijd vooral basisemoties zoals boos en blij aan bod dienen te komen, wordt juist geadviseerd om kleuters een rijk taalaanbod van emoties aan te bieden.

Het verwoorden van gevoelens – hoe stimuleer je dat?

Een school kan op verschillende manieren aandacht besteden aan het verwoorden van gevoelens als onderdeel van de emotionele ontwikkeling en het welbevinden van leerlingen. We bespreken hier kort een aantal programma’s die speciaal ontwikkeld zijn om te werken aan de sociaal-emotionele ontwikkeling op school.

Er zijn twee typen programma’s te onderscheiden. Het eerste type programma’s zijn de universele programma’s die zich richten op een breed scala aan sociaal-emotionele vaardigheden en die vaak een leerlijn hebben voor kinderen van vier tot twaalf jaar. Het werken met zo’n schoolbreed sociaal-emotioneel programma heeft een aantal voordelen: het werkt systematisch en planmatig, betrekt alle kinderen uit de klas (niet alleen de kinderen met problemen), het garandeert een doorlopende leerlijn en het verschaft leerkrachten veel werkvormen en materialen die zij anders zelf zouden moeten maken en/of verzamelen (Looman et al., 2014; Van Overveld, 2012). Een grote meta-analyse waarin 217 studies werden samengenomen (Payton et al., 2008), liet zien dat het werken met een schoolbreed  sociaal-emotioneel programma positieve effecten heeft op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen, zoals op hun zelfcontrole en emotionele vaardigheden.

Er zijn in Nederland tientallen programma’s beschikbaar om in het primair onderwijs met leerlingen aan de slag te gaan met sociaal-emotionele vaardigheden. Het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) beheert een databank met daarin objectieve informatie over de effectiviteit van interventieprogramma’s. Er zijn drie universele programma’s die volgens het NJI theoretisch goed onderbouwd zijn (Kanjertraining, Leefstijl, Vreedzame School) en één programma dat waarschijnlijk effectief is (PAD, Programma Alternatieve Denkstrategieën).

Er zijn ook specifieke programma’s, die zich focussen op deelvaardigheden (Van Overveld, 2012). Op het gebied van emotionele vaardigheden zijn dit bijvoorbeeld Doos vol gevoelens (groep 1 t/ 3), Huis vol gevoelens (groep 1 t/m 8), Het Blauwe Boek (kleuters) en Hé Luister eens (kleuters). Geen van deze methoden staat in de databank van het NJI vermeld als erkende effectieve interventie.

Geraadpleegde bronnen

Volg wij-leren.nl

Volg ons op LinkedIn Volg ons op twitter Volg ons op facebook

Mis geen bijdragen.