Jean Piaget: Objectpermanentie en ontwikkeling van de intelligentie

Ewald Vervaet

Ontwikkelingspsycholoog en docent bij Stichting Histos

Loopbaan Jean Piaget

Nadat Claparède (1873-1940), hoogleraar in de psychiatrie en de psychologie in Genève, in 1921 kennis had genomen van Piagets onderzoeksresultaten met afzonderlijke testvragen, bood hij hem een betrekking aan in zijn Institut Jean-Jacques Rousseau. Piaget accepteerde en deze betrekking als onderzoeker zou de eerste worden in een lange reeks.

Functies

De belangrijkste van zijn andere functies staan in deze tabel:
1925-1929 Hoogleraar in de psychologie, sociologie en wetenschapsfilosofie aan de Universiteit van Neuchâtel
1929-1939 Hoogleraar in de geschiedenis van het wetenschappelijke denken aan de Universiteit van Genève
1929-1971 Adjunct-directeur en in 1933 co-directeur van het Institut Jean-Jacques Rousseau dat in 1933 het Institut des Science de l'Education (Universiteit van Genève) werd
1929-1967 Directeur van het Bureau International de l'Education dat na de Tweede Wereldoorlog betrokken was bij de Unesco waarin Piaget vele functies heeft vervuld
1938-1951 Hoogleraar in de psychologie en sociologie aan de Universiteit van Lausanne
1939-1952 Hoogleraar in de sociologie aan de Universiteit van Genève
1940-1971 Hoogleraar in de experimentele psychologie aan de Universiteit van Genève
1952-1963 Hoogleraar in de ontwikkelingspsychologie aan de Sorbonne te Parijs
1955-1971 Directeur van het Centre international d'epistémologie génétique (Universiteit van Genève)

Vijf boeken

Piagets eerste werk in Genève resulteerde in vijf boeken[13] die hem op slag bekend maakten. Uitnodigingen voor lezingen, discussies en dergelijke stroomden hem van alle kanten toe, onder meer uit Nederland.

Ergens tussen 1921 en 1925 deed Piaget een belangrijke ontdekking. In Parijs had hij ook college van Janet[14] gevolgd. Eén van de onderwerpen was dat een kind ook al over intelligentie beschikt als het nog geen taal gebruikt. Hierdoor ging Piaget goed letten op kleine kinderen wanneer zich daar de gelegenheid toe voordeed.

Op zekere keer was hij bij een familielid dat een zoontje had, Gérard van 1;1. Deze zat met een bal te spelen. Toen die onder een zetel rolde, ging hij hem daar terughalen. Even daarna geraakte de bal onder een lage bank met franje. Opnieuw ging Gérard onder de zetel kijken! Dit voorvalletje[15] bracht Piaget op het idee dat het enige tijd duurt voordat een kind in staat is tot objectpermanentie. Dat is de stabiele notie dat een voorwerp dat men niet meer waarneemt en waarmee men niet meer kan handelen, nog steeds bestaat.

Huiselijke situatie Piaget

Omdat Piaget objectpermanentie vooral bij zijn eigen kinderen heeft onderzocht, eerst wat huiselijke informatie. Aan Claparèdes instituut werkte Piaget met enige van diens studenten samen. Eén van hen was Valentine Châtenay, met wie hij in 1924 trouwde. Ze kregen drie kinderen: Jacqueline (1925), Lucienne (1927) en Laurent (1931).

Met zijn vrouw, die ondertussen als psychologe was afgestudeerd, deed Piaget vele observaties bij hen.[16] Aldus kregen Janets opvattingen over preverbale intelligentie een empirische basis die overigens veel verder strekte dan die opvattingen zelf. Zo bleek objectpermanentie in zes fasen te onstaan, waarvan de laatste drie nu volgen.

Voorbeeld objectpermanentie

Stel een kind zit op een deken. We noemen een plek onder de deken rechts van het kind A en een plek onder de deken links van het kind B; A en B zijn binnen handbereik van het kind. In fase 4 (rond 0;10) zoekt een kind voorwerp V (bijvoorbeeld een speeltje) op plek A als het ziet dat V daar verborgen wordt. Als het daarna ziet dat V op plek B wordt verstopt, gaat het eerst bij A zoeken en dan pas bij B.

De verklaring hiervoor is dat het kind op basis van succes opereert, vanuit een soort 'Daar zijn de dingen waar ze de vorige keer werden gevonden' en niet omdat het aan dat voorwerp een bestaan toedicht, los van het eigen zoekgedrag. In fase 5 (rond 1;0) zoekt het kind wel meteen bij B (en C, D, enzovoort). Maar wanneer men op B tevoren bijvoorbeeld een pannelap heeft gelegd en daar V onder verstopt, kijkt het kind verbaasd en zoekt het niet verder. Dat doet het pas in fase 6 (rond 1;2): eerst dan beseft het dat voorwerpen een zelfstandig bestaan hebben.

Preverbale intelligentie

Preverbale intelligentie en de onderzoekingen bij zijn kinderen, waaronder die naar objectpermanentie, leidden tot een belangrijke wijziging in Piagets onderzoeksmethode. Hield hij aanvankelijk uitsluitend vraaggesprekken (Waar komen dromen vandaan? Hoe is de zon begonnen? Hoe zijn bergen ontstaan?), voortaan zou hij kinderen in de eerste plaats met voorwerpen laten handelen om ze daarna te ondervragen, bijvoorbeeld nadat ze van een bol klei een worst hebben gemaakt: 'Heb je nu nog even veel klei?'. Het verbale gedeelte van het onderzoek werd zo tot een afgeleide van het laten handelen.[17]

Strukturen en conservatie

Piagets belangrijkste vondst uit de jaren '30 is dat operaties in een onderlinge afhankelijkheid ontstaan. Nemen we seriëren. Voor 10 stokjes, die regelmatig aflopen van 16,2 naar 9 centimeter, houdt dat in dat men ze in één keer correct van de langste naar de kortste ordent. Welnu, zodra een kind rond 8;0 tot seriëren in staat is, beschikken zijn operaties tegelijkertijd over de eigenschappen associativiteit (of transitiviteit) en omkeerbaarheid. Ik leg beide nader uit.

Associativiteit

Voor lengte wil associativiteit formeel uitgedrukt zeggen: uit A>B en B>C volgt A>C.[18] Zo concludeert een 7-, 8-jarige die men eerst een rood en een groen stokje laat zien (het rode is het langste van de twee) en vervolgens een groen en een blauw stokje (het groene is het langste), dat het rode stokje langer is dan het blauwe, wanneer hij die niet tegelijk te zien krijgt. Kleuters weten daar geen raad mee en zeggen maar wat. Ook trekken ze uit A>C en B>C een conclusie als ze gesteld worden voor de vraag welke de langste is, A of B: ongeveer de helft kiest voor A en de andere helft voor B. Een 8-jarige zegt dan dat hij dat zo niet kan weten.

Omkeerbaarheid

Omkeerbaarheid houdt in dat men mentaal handelingen kan omkeren. Bijvoorbeeld, als men limonade overgiet van een smal in een breed glas, menen de meeste kleuters dat ze minder hebben. 'Waarom?' - 'Omdat dit (ze wijzen naar de stand van de limonade) lager is'. (Een minderheid denkt dat ze meer hebben: zij letten op de doorsnee van het glas.) Kinderen van 8;0 menen evenwel dat ze nog evenveel te drinken hebben. 'Maar dit (d.i. de hoogte) is toch lager dan zojuist?' - 'Ja, maar als je de limonade terug giet, is het weer even hoog als net'. Zij gieten de limonade in gedachte dus terug om te concluderen dat er dan nog even veel moet zijn als eerst. Er is immers niets bij gekomen of afgegaan. Welnu, tot zo'n 'mentaal teruggieten' zijn kleuters nog niet in staat: zij blijven bij direct waarneembare variabelen als hoogte en doorsnee.

Voor het ordenen op lengte betekent operationele omkeerbaarheid dat X>Y en YB>C>...>I>J is elk afzonderlijk >- en <-verband ingebed in de overige relaties. Daar zijn er in totaal 90 van, want tussen 10 elementen bestaan 45>- en 45 <-verbanden. Anders gezegd, als A, B, ..., J de ongeordende elementen zijn, dan zijn A>B, A>C, ..., B>C, B>D, ... I>J en hun omgekeerden (BB>...>J met behulp van een klein aantal van de 90 verbanden tot stand, terwijl ze aan de niet-gebruikte paren dwingend hun onderlinge organisatie oplegt.

 

Conservaties

Associativiteit en omkeerbaarheid verlenen dus stevigheid en stabiliteit aan operationele systemen. Zelfs zozeer dat na hun ontstaan rond 7;0 de eerste conservaties mogelijk zijn. Algemeen gesteld betekent de conservatie van een karakteristiek dat iemand zich het behoud van die karakteristiek realiseert ook als andere karakteristieken veranderen. In het limonade-proefje bijvoorbeeld behouden kleuters 'hoeveelheid vloeistof' niet wanneer hoogte en doorsnede veranderen.

Concervatieproeven

Terug naar de chronologische lijn. We hebben gezien dat Piaget al rond 1920 conservatieproeven deed, namelijk op het gebied van aantal. Om diverse redenen lag het voor de hand dat hij het thema conservatie ooit zou hernemen:
(i) Hij had gevonden dat 'behoud van existentie' (objectpermanentie) in zes fasen ontstaat.
(ii) Als natuurwetenchapper kende hij de behoudswetten van massa, van snelheid, enzovoort.
(iii) Hij had het werk van de Pools-Franse wetenschapsfilosoof Meyerson (1859-1933) gelezen. Deze benadrukte het belang van behoudsbegrippen in de geschiedenis van de exacte vakken.
(iv) Als verbindend moment moet worden aangemerkt dat Piagets optiek dat een empirische kennisleer genetisch moest zijn en dus bij kinderen moest beginnen, reeds vruchtbaar was gebleken; dat zou dus ook voor behoudsbegrippen moeten gelden.

Bärbel Inhelder

Waarschijnlijk in 1933 vroeg Piaget een studente te onderzoeken hoe kinderen over het oplossen van suiker in water dachten. Die studente zou in 1937 zijn naaste medewerkster en in 1971 zijn opvolgster worden: de in 1913 in het Zwitserse Sankt Gallen geboren Bärbel Inhelder. Het onderzoek verscheen als scriptie in 1936.[19]

Onderzoek Alina Szeminska

Een jaar eerder was de scriptie van de Poolse Alina Szeminska over rekenen verschenen.[20] Eén van de opgaven voor kinderen rond 7;0 was:
Jan heeft 14 kersen en Sjors 8. Hoeveel kersen moet Jan aan Sjors geven om ervoor te zorgen dat ze allebei eveneel kersen hebben?
De meeste kinderen zeiden dat Jan er 6 aan Sjors moest geven en dat beiden dan 14 kersen hadden! De kinderen waren heel verbaasd als ze hen er achter liet komen dat er zo in totaal meer kersen waren dan eerst. Haar verklaringspoging hiervoor was: 'Het kind heeft geen duidelijk besef van de constantie van een hoeveelheid'.

Proeven

Om dit nader te onderzoeken, ook bij jongere knderen, die '14-8' en dergelijke nog niet konden uitrekenen, werden proeven met verschillende soorten glazen bedacht. Eén van de vragen ging met twee identieke grote glazen die voor drie kwart met limonade waren gevuld (A en B) en twee identieke glazen die een beetje kleiner maar veel smaller waren (b1 en b2):
Marie heeft 'dat' (d.i. glas A) en Irene heeft 'dat' (glas B); ze hebben beide evenveel limonade om te drinken. Voordat ze drinkt giet Irene haar limonade in 'deze twee glazen' (b1 en b2). Heeft ze nu evenveel limonade als Marie?
Kleuters beweerden dat Irene nu meer had. Als redenen gaven ze op: 'Omdat er twee glazen zijn'. 'Omdat het is overgegoten' en dergelijke. Al met al is uit dit soort proefjes de standaardproef naar conservatie van hoeveelheid voortgekomen, zoals die op p.9 is geschetst.

Vervolgonderzoek

Na hun scripties deed Piaget met Szeminska en Inhelder vervolgonderzoek onder meer naar de genese van het begrip 'geheel getal' en conservatie van aantal[21] respectievelijk naar conservatie van hoeveelheid, van gewicht en van volume.[22] Zo werd nauwkeurig bestudeerd wat Piaget al in de eerste helft van de jaren '20 had ontdekt en globaal had onderzocht, namelijk dat kinderen pas vanaf 10;0 gewicht en vanaf 12;0 volume conserveren.

Bijvoorbeeld, als men kinderen een stuk klei in verschillende vormen onder water laat dompelen en ze ondervraagt over de stijging van het water, blijken ze pas vanaf 12;0 te begrijpen waarom het water steeds even hoog komt te staan. Kennelijk hebben niet alle taken dezelfde cognitieve opbouw en moeilijkheidsgraad.

In het onderzoek met Inhelder bleek ook dat wat we voor conservatie naar lengte hebben geschets, algemeen geldt: een conservatie ontstaat gelijk met de bijbehorende struktuur. Zo ontstaan conservatie van gewicht en het ordenen van niet even zware gewichten rond 10;0.

Interdisciplinair onderzoek

In de jaren '40 waren enige van de vele onderzoeksprojecten die onder Piagets leiding werden uitgevoerd: de ontwikkeling van de perceptie (onder meer in verband met de wisselweking tussen waarneming en intelligentie) en de ontwikkeling van mechanische begrippen als tijd en snelheid. Voorts stonden op de agenda onomkeerbare fysische processen als kansprocessen en het mengen van twee stoffen: hoe zouden kinderen rond 8;0, die immers over omkeerbare operaties beschikken, op onomkeerbare processen reageren?

Ontwikkeling van intelligentie

In 1921 had Piaget gemeend een jaar of vijf nodig te hebben voor zijn onderzoek naar de ontwikkeling van de intelligentie bij kinderen. Het duurde echter bijna dertig jaar voordat zijn eerste epistemologische boek verscheen, in 1950.[23] Het was tevens een synthese die hem in staat stelde zijn droom, het vinden van een empirisch onderbouwd stelsel over kennisstrukturen, met nieuwe energie aan te pakken, want zijn werk verdiepte zich daarna in twee richtingen.

Institutuut interdisciplinair onderzoek

Allereerst is daar interdisciplinair onderzoek. Tussen 1929 en 1939, toen Piaget hoogleraar was in de gescheidenis van het wetenschappelijke denken, had hij veel gelezen over de geschiedenis van de wiskunde, de natuurkunde en de biologie. Met name de begrippen uit de meetkunde, de algebra en de mechanica hadden zijn belangstelling. Door hun ontstaan bij het kind te onderzoeken werkte hij dus interdisciplinair.

Die tendens raakte in een stroomversnelling, toe hij in 1955 met de steun van het Rockefeller Fonds een onderzoekscentrum in Genève kon oprichten, het nog steeds bestaande Centre d'épistémologie génétique. Er werk(t)en logici, wiskundigen, natuurkundigen, taalwetenschappers en niet te vergeten biologen en psychologen. Een paar gerenommeerde namen: de wetenschapshistoricus Kuhn, de bioloog Waddington, de taalkundige Chomsky en de Nederlandse logicus Beth. Met deze laatste schreef Piaget in 1961 een boek over de relaties tussen de formele logica en het menselijke denken zoals het zich reëel voltrekt.[24]

Psychologische functies

Op de tweede plaats, op het gebied van het opereren van kinderen verschoof Piagets aandacht van de strukturele aspecten naar psychologische functies als geheugen, onderricht en waarneming. Deze onderwerpen worden doorgaans los van elkaar behandeld, maar bij Piaget komen ze in hun onderlinge samenhang aan bod, en wel vanuit de optiek van de cognitieve operaties.

Zo vond hij met Inhelder dat het geheugen geen statische opslagplaats is, maar een dynamisch vermogen dat door de algehele ontwikkeling van de intelligentie gedragen wordt. Bijvoorbeeld, men laat kinderen tussen 3;6 en 6;6 10 stokjes van verschillende lengte als een geordende serie zien, dus als A>B>...>J. Zowel 1 week als 8 maanden later moeten ze tekenen wat ze toen hadden gezien.

Na een week tekenen kinderen van 4;0, die geen poging doen tot seriëren, een aantaal strepen van dezelfde lengte. Kinderen van 4;6, die dichotomiserend met ongelijke stokjes omgaan (ze leggen bijvoorbeeld de langste bij elkaar en de kortste bij elkaar), tekenen dan bijvoorbeeld van links naar rechts drie staafjes van ongeveer 6 centimeter en dan drie staafjes van ongeveer 3 centimeter. Enzovoort. Kortom, 'Er is een tamelijk duidelijke overeenkomst tussen het operationele nivo van de proefpersoon en de organisatie van zijn geheugen na verloop van een week'.[25]

Herstructurering

Bovendien boeken de meeste kinderen na 8 maanden een vooruitgang (ze krijgen de serie niet weer te zien). Zo maakte een kind van 4;0, dat na een week even grote strepen zetten, met 4;8 een tekening als hierboven. Kinderen van 7;0 tekenden de tweede keer 10 op- of aflopende strepen. Enzovoort. Na het empirische materiaal op alternatieve verklaringen nagegaan te zijn (bijvoorbeeld dat die verbetering een gevolg zou zijn van een toegenomen tekenvaardigheid) restte maar één conclusie: de herinnering van het beeld van zoiets simpels als een serie stokjes ondergaat een herstrukturering die van de operationele ontwikkeling afhangt.

Cognitieve structuren

Kortom, na 1950 breidde Piaget zijn strukturalisme uit naar de wetenschappen en bestudeerde hij de psychologische processen onder de cognitieve strukturen. Omdat hij taalverwerving met taalkundigen onderzocht, de genese van natuurkundige begrippen met fysici, enzovoort, omschreef hij het verband tussen beide tendenzen als volgt: 'De interdisciplinaire methodes dragen zo hun vruchten tot in de relaties die men inter-onder-disciplinair zou kunnen noemen, namelijk tot het binnenste van de psychologie zelf'.[26]

Dit artikel is onderdeel van een vijfluik over Jean Piaget en is een vijfdeling van één artikel, namelijk 'Jean Piaget (1896-1980) en de genetische epistemologie'. Het oorspronkelijke artikel heeft gestaan in Struktuur en genese, 1990, vol.3 op p.3-29.

Noten

[13] J. Piaget, Le langage et la pensée chez l'enfant (1923), Le jugement et le raisonnement chez l'enfant (1924), La représentation du monde chez l énfant (1926), La causalité physique chez l'enfant (1927) en Le jugement moral chez l'enfant (1932). In het voorwoord bij de tweede druk van Le jugement et le raisonnemen chez l'enfant (1935) schrijft Piaget dat het betreffende onderzoek geheel hernomen moet worden, 'avant de se développer sur le plan du langage et des concepts réfléchis, l'intelligence se constitue sur le plan sensori-moteur et c'est à ce niveau élémentaire qu'il convient de chercher les racines du jugement'.
[14] Veel van de collegestof verscheen later in boekvorm, met name in P. Janet, De l'angoise à l'extase (1926), Les débuts de l'intelligence (1935) en L'intelligence avant le langage (1936).
[15] a. J. Piaget, La construction du réel chez l'enfant, Neuchâtel, Delachaux & Niestlé, 1937, p.54. b. J.-Cl. Bringuier, Gesprekken met Jean Piaget, Amsterdam, Meulenhoff Informatief, 1982 (eerste, Franstalige uitgave is van 1977), p.39. Dat Piaget in 15b 0;10 als leeftijd noemt, is een mooi voorbeeld van de operationele basis onder het geheugen (p.11 van dit artikel), want in zijn theorie plaatst hij het fase-4-gedrag dat Gérard vertoonde, rond 0;10.
[16] De boeken die uit dit onderzoek voortvloeiden, zijn: J. Piaget, La naissance de l'intelligence chez l'enfant (1936), La construction du réel chez l'enfant (1937) en La formation du symbole chez l'enfant (1945).
[17] De voorbeelden tussen haakjes zijn uit Piagets boek La représentation du monde chez l'enfant van 1926. In 1950 schreef Piaget (zie noot 2, p.12v) dat hij pas bij het bestuderen van de intelligentie in de twee eerste jaren begreep dat zijn algehele onderzoeksmethode vooral handelingsgericht moest zijn. Het is inderdaad goed mogelijk dat hij zich dat na 1925 (het geboortejaar van zijn oudste dochter; hij heeft de twee eerste levensjaren slechts bij zijn eigen kinderen systematisch onderzocht) scherper is gaan realiseren dan daarvoor, maar dat besef was voordien zeker niet afwezig. Zie bijvoorbeeld J. Piaget, 'La représentation du monde chez l'enfant', Revue de théologie et de philosophie, 1925, p.188-234: op p.211-213 doet hij verslag van enige conservatieproeven.
[18] Deze formalisatie is ten gerieve van de lezer. In het onderzoek legt men zulke formules uiteraard niet aan het kind zelf voor. Dat geldt ook voor A>B>C...>I>J bij de bespreking van omkeerbaarheid.
[19] B. Inhelder, 'Observations sur le principe de conservation dans la physique de l'enfant', Cahiers de pédagogie expérimentale et de psychologie de l'enfant (Universiteit van Genève), nr.9, 1936.
[20] A. Szeminska, 'Essai d'analyse psychologique du raisonnement mathématique', Cahiers de pédagogie expérimentale et de psychologie de l'enfant (Universiteit van Genève), nr.7, 1935.
[21] J. Piaget en A. Szeminska, La genèse du nombre chez l'enfant, Neuchâtel, Delachaux & Niestlé, 1941.
[22] J. Piaget en B. Inhelder, Le développement des quantités physiques chez l'enfant. Conservation et atomisme, Neuchâtel, Delachaux & Niestlé, 1941. In 1925 (slot van noot 17) maakte Piaget nog geen melding van enig naijlen van conservatie van volume op conservatie van gewicht.
[23] J. Piaget, Introduction à l'épistémologie génétique, I. La pensée mathématique, II. La pensée physique en III. La pensée biologique, la pensée psychologique et la pensée sociologique, Parijs, PUF, 1950.
[24] E.W. Beth en J. Piaget, Epistémologie mathématique et psychologie, Parijs, PUF, 1961.
[25] J. Piaget en B. Inhelder, Mémoire et intelligence, Parijs, PUF, 1968, hoofdstuk 1.
[26] Zie noot 2, p.34.



Gerelateerd

Ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologie - psychologische ontwikkeling kinderen
Arja Kerpel
Jean Piaget
Jean Piaget (1896-1980) - biografie en werk
Ewald Vervaet
Piaget: epistemologie
Jean Piaget: de genetische epistemologie na 1968
Ewald Vervaet
Piaget: empirisme
Jean Piaget: kritiek en onbegrip - empirisme
Ewald Vervaet
Piaget: leertheorie
Jean Piaget: leertheorie en psychoanalyse
Ewald Vervaet
Intelligentiekloof
IQ test uitslag: Intelligentiekloof
Lisanne van Nijnatten
Ontwikkeling jonge kind
Naar school - Psychologie van 3 tot 8 jaar
Arja Kerpel





Inschrijven nieuwsbrief