Kijk eens bij de Nieuwe onderwijsboeken!

Morele opvoeding zo vroeg mogelijk starten

Carl D'hondt
Orthopedagoog bij Bekina 

D'hondt, C. (2025). Morele opvoeding zo vroeg mogelijk starten.
Geraadpleegd op 13-01-2026,
van https://wij-leren.nl/morele-opvoeding-zo-vroeg-mogelijk-starten.php
Geplaatst op 1 november 2025
Laatst bewerkt op 1 december 2025
Morele opvoeding

De literatuur over morele opvoeding gaat hoofdzakelijk over het bijbrengen van normen en waarden bij “jongeren” en dit vaak aan de hand van morele dilemma’s. Men gaat ervan uit dat morele opvoeding cognitief gevoed moet worden met rationele argumenten en dat de impact van emoties heel gering is. In een eerder artikel (1) hebben wij het belang van emotionaliteit en empathie geaccentueerd en hebben wij ook gepleit voor sterke inzet op morele opvoeding vanaf de leeftijd van 5 à 6 jaar, op een leeftijd waarop het kind in staat is zich in het standpunt (gevoelens en wensen) van anderen te verplaatsen of reeds enigszins in de schoenen van anderen te gaan staan. Wij zouden er nu echter voor pleiten om morele opvoeding reeds veel vroeger te starten en dit reeds vanaf de vroege peuterleeftijd (1 à 1,5 j.). Wij baseren ons daarvoor op recent neurologisch en neuropsychologisch onderzoek (2).

Moreel bewustzijn

Moreel bewustzijn is de hoeksteen voor het verder bestaan van de mensheid.

“ Het belangrijkste streven van de mens is het streven moreel te handelen. Daarvan hangt zijn innerlijke evenwichtigheid, ja, zijn hele bestaan af. Alleen moreel handelen kan het leven glans en waarde verlenen. Het is wellicht de voornaamste taak van de opvoeding om dit bij jongeren wakker te roepen en tot wasdom te brengen.” (Albert Einstein, 1990 p. 99) (3).

Een baby is gericht op overleven en reageert enkel vanuit z’n reflexbrein. Men maakt een onderscheid tussen drie breinsystemen, nl. het reflexbrein, het reflecterend brein en het archiverend brein.

  • Het reflexbrein reageert heel snel en onbewust op prikkels (zoals in een reflex), zonder tussenkomst van het bewustzijn. Dit brein is uit op directe reactie (vechten of vluchten bijv.) en is uitsluitend gericht op het eigenbelang en onmiddellijke behoeftebevrediging;
  • Het reflecterend brein verlaat het hier en nu en richt zich zowel op heden, verleden als toekomst. Het reflecterend brein maakt fantasie mogelijk, abstraheert het nu en werkt met symbolen. Het is intentioneel (doelgericht) en proactief;
  • Het archiverend brein zorgt voor de verwerking van de gegevens en het opslaan in het langetermijngeheugen. Het catalogiseert en archiveert de opgedane prikkels en de betekenissen die door ons reflecterende brein werden gegenereerd. Voor informatieverwerking hebben we geen nieuwe zenuwcellen nodig, enkel nieuwe verbindingen. Een groot deel van dit verbinden en ontkoppelen gebeurt tijdens de slaap.

Het reflexbrein is fundamenteel egoïstisch en uitsluitend gericht op overleven. Dit wordt vanaf de leeftijd van 1 à 1,5 jaar getemperd door de dwang tot groepssolidariteit, die het leven van de groep in z’n totaliteit moet garanderen.

Deze groepssolidariteit is iets dat zich geleidelijk aan ontwikkelt.

Een baby leeft aanvankelijk onder het lustprincipe. Alle ongemak (honger, dorst, vuile pamper …) wordt haast direct door een zorgende volwassene weggenomen. Een kind dat veilig gehecht is gaat nadien meer exploreren en risico’s nemen. Deze drang naar autonomie confronteert het kind meer met het realiteitsprincipe. De jonge peuter streeft ernaar om  met de (soms harde) realiteit om te gaan, o. a. door bepaalde frustraties of ongemakken zelf op te lossen. Hiervoor dient het reflecterende brein ingeschakeld te worden. Vroege drang naar meer autonomie houdt in dat ook het reflecterende brein vroeger wordt ingeschakeld (4). Deze vroege inschakeling creëert duurzame snelkoppelingen naar prosociaal gedrag en ethisch gedrag op latere leeftijd.

De scheiding tussen reflex- en reflecterend brein is niet absoluut. Ons gedrag kan zich verplaatsen van het reflecterende brein naar de automatische piloot van het reflexbrein.

Bepaalde handelingen, die vaak worden uitgevoerd, kunnen automatismen worden zonder dat erbij nagedacht moet worden (d. i. chuncking, snelkoppelingen die een gewoonte zijn geworden).

Letters herkennen en vlot technisch lezen bijv. gebeurt uiteindelijk op automatische piloot, zonder reflecterende interventie. Veel automatismen ontstaan tijdens gevoelige periodes (5). Zo zijn er gevoelige periodes om te leren lopen, spreken, lezen enz. Men mag aannemen dat er ook gevoelige periodes zijn waarin snelkoppelingen naar ethisch gedrag zich het meest efficiënt ontwikkelen. Opvoeding die hiermee rekening houdt legt dan vanaf heel jonge leeftijd een stevige basis voor gedragsautomatismen die kunnen leiden tot ethische excellentie.

In morele opvoeding moet men de grens tussen reflecterend en reflexbrein zo vroeg mogelijk en constant trainen met directe feedback, zodat snelkoppelingen naar ethisch gedrag worden ontwikkeld.

Als een peutertje zelf z’n jas ophangt aan een kinderkapstok, als het zichzelf probeert aan te kleden (met wat begeleiding), als het iets dat gevallen is opraapt, als het de kindertafel leert dekken … dan volgt meestal positieve feedback van de volwassenen en wordt het gedrag dus steeds bekrachtigd. Na veel trial & error raakt het gedrag meer en meer geautomatiseerd.

Heel jonge peuters willen in de gunst te staan van hun verzorgers (ouders). Bepaalde handelingen of gewoonten van de peuter worden door de ouders sterk bekrachtigd. De peuter conformeert zich bijgevolg vaker aan de sociale omgang binnen de eigen groep (groepssolidariteit). Dit alles betekent dat de impact van het reflexbrein, dat enkel het eigenbelang nastreeft, kleiner wordt ten gunste van het reflecterend brein.

Spiegelneuronen

Spiegelneuronen worden (werden) beschouwd als een essentiële component in het vormen van het morele bewustzijn. Daarom gaan wij er uitgebreid op in.

Een spiegelneuron is een neuron dat niet alleen vuurt als de persoon zelf een handeling uitvoert, maar ook als hij een ander dezelfde actie ziet uitvoeren. Het neuron weerspiegelt het gedrag van de ander op dezelfde wijze als wanneer de persoon de handeling zelf zou uitvoeren.
Spiegelneuronen bevinden zich in het hele brein en brengen de meest diverse neurologische regio’s bij elkaar. Het onderzoek naar de werking van spiegelneuronen loopt nog ten volle.

Men neemt aan dat ze een rol spelen bij het begrijpen en interpreteren van eigen gedrag en dat van anderen en bij het leren van nieuwe vaardigheden door imitatie.

Men veronderstelt dat ze ook een rol spelen bij het vormen van theories of mind (6), bij empathie, bij taalverwerving, bij het interpreteren van gelaatsuitdrukkingen, bij het begrijpen van lichaamstaal, bij het aanvoelen van de betekenis van niet-linguïstische aspecten bij het spreken (pauzes, timbre, stemhoogte, kalmte of gejaagdheid bij het spreken …) enz.

De impact van spiegelneuronen is afhankelijk van de context. Bij een nabije context lichten ze meer op dan bij een verre context. Bij het zien van beelden van een ramp in een ander land lichten ze minder op dan bij beelden van een gelijkaardige ramp in eigen land. En zelfs in eigen land lichten ze meer op bij gebeurtenissen dicht bij huis dan veraf.
Spiegelneuronen maken het mogelijk om in de schoenen van anderen te gaan staan. Wellicht is imitatie van sociaal gedrag en tacit knowledge (7) bepaald door de werking van spiegelneuronen.

Recent onderzoek relativeert echter de impact van spiegelneuronen. Deze neuronen zouden slechts een beperkte rol spelen in het verklaren van menselijk gedrag. De werking van spiegelneuronen zou niet aangeboren zijn, maar zou verworven zijn door associatief leren. Spiegelneuronen bevinden zich in zeer uiteenlopende hersengebieden, zodat spiegelassociaties mogelijk worden tussen allerlei waarnemingen (geuren, geluiden, tactiele prikkels enz.), associaties met taal enz. De hype rond spiegelneuronen koesterde zelfs de verwachting dat men de werking van autisme en psychopathie beter zou begrijpen.

Verder onderzoek dwong echter tot meer bescheidenheid. Vooral de aanname dat de werking van spiegelneuronen genetisch bepaald zou zijn, zette de klokken van de twijfel fel aan het luiden. Veel imitatiegedrag kon verklaard worden op basis van associatief leren. Spiegelneuronen zouden dus geen autonome, genetisch bepaalde functie hebben.

Voorbeeld: als een baby in de handen klapt, kan mama dit direct nadien beantwoorden door ook in de handen te klappen. Als mama later in de handen klapt, worden de bijhorende visuele en auditieve neuronen bij de baby geactiveerd, zodat baby op zijn beurt in de handen klapt.

Dit betekent dat spiegelneuronen functioneren op basis van een meer fundamenteel mechanisme ligt, nl. associatief leren.

Spiegelneuronen kunnen dus geen verklaring geven voor de opkomst van de menselijke beschaving, maar zijn enkel snelwegen die het leren op sociaal vlak bevorderen.

Echte imitatie is er ook niet vanaf de geboorte, maar ontstaat pas vanaf 6 à 8 maanden, op een moment dat associatief leren sterk begint door te breken.

Besluit

Vroeg automatiseren van gedrag dat door het reflecterend brein wordt aangestuurd, is cruciaal. Hierdoor ontstaan snelkoppelingen die geautomatiseerd gedrag mogelijk maken zonder tussenkomst van het bewustzijn. Veel van deze automatismen ontstaan tijdens gevoelige periodes, waarin de leerefficiëntie voor bepaalde vaardigheden maximaal is. Daarom is het belangrijk om in de opvoeding vroegtijdig in te zetten op snelkoppelingen die tot ethisch gedrag leiden. Maximaal activeren van structuren die tot snelkoppelingen leiden, gebeurt best door eigen initiatief en doorzetting van het kind zelf. De besturing naar ethisch gedrag toe moet van het kind zelf komen, hoewel feedback en bekrachtiging door volwassenen dit proces kan bespoedigen.

Overdreven permissieve opvoeding verzwakt of verhindert echter dit eigen initiatief van het kind.

Ouders die grenzen stellen (8) en deze grenzen ook consequent opvolgen, helpen hun jonge peuter op weg naar het realiteitsprincipe.

Vroegtijdige confrontatie met het realiteitsprincipe creëert snelwegen die leiden tot snelkoppelingen die intern geïntegreerd ethisch gedrag mogelijk maken.

Eindnoten

  1. wij-leren.nl   Hilde Van Rossen, Morele groei vanuit het kind zelf (deel 1 + 2).
  2. Compernolle, Th., Ontketen je brein, Lannoo, Tielt    ISBN 978 94014 17457
  3. Einstein, A., Hoogachtend, Annex, Kritak, Leuven, 1990 (3)
  4. Permissieve opvoeding gaat daar echter tegen in. In plaats van de peuter te stimuleren om zelf hindernissen te nemen, staan veel ouders klaar om frustraties en tegenslagen bij hun kinderen te voorkomen of zelf op te lossen (helikopterouders).
  5. Gevoelige periodes zijn periodes waarin het verwerven van bepaalde vaardigheden exclusief tijdens deze periodes moet doorgaan en waarin de leerefficiëntie voor deze vaardigheden veel groter is dan in andere periodes.
  6. Theories of mind zijn opvattingen over behoeften, wensen, gevoelens …die aan de basis liggen van het eigen gedrag en dat van anderen.
  7. Tacit knowledge is impliciete kennis die men niet onder woorden kan brengen en die dus niet onderwezen kan worden. Door een expert zeer intens te observeren kan men na langdurig oefenen de knepen van het vak onbewust verwerven.
  8. wij-leren.nl  Hilde Van Rossen, Back to basics. Als ouders en opvoeders de pedagogische pedalen verliezen.

Over de auteurs

Carl D’hondt, orthopedagoog, is erevoorzitter van BEKINA (www.bekina.org), een Vlaamse Vereniging voor ouders en professionelen van hoogbegaafde kinderen en adolescenten.

Hilde Van Rossen, master in de psychologie, was opleidingscoördinator aan de Hogeschool VIVES, West -Vlaanderen (België). Zij was nationaal bestuurslid van BEKINA.

Beide zijn auteur van 3 boeken over hoogbegaafdheid.                              

Heb je vragen over dit thema? Stel ze in de onderwijs community binnen de Wij-leren.nl Academie!

Dossiers

Uw onderwijskundige kennis blijft op peil door 4000+ artikelen.