Kijk eens bij de Nieuwe onderwijsboeken! - maart 2026

In gesprek met Jelle Jolles: De lerende tiener in perspectief: waarom vooral wij, volwassenen, moeten veranderen

Jelle Jolles
Emeritus hoogleraar bij Adviespraktijk NeuroPsychologie  

Jolles, J. (2026). In gesprek met Jelle Jolles: De lerende tiener in perspectief: waarom vooral wij, volwassenen, moeten veranderen. Interview door Arie van Erp, KPC-Groep.
Geraadpleegd op 13-03-2026,
van https://wij-leren.nl/in-gesprek-met-jelle-jolles.php/
Geplaatst op 3 februari 2026
Laatst bewerkt op 3 maart 2026
in gesprek met Jelle Jolles

Dit gesprek is een interview van Arie van Erp (KPC-Groep) met Jelle Jolles, over zijn nieuwe boek ‘Het tienerbrein – een ander perspectief. Gids voor ouders, leraren en andere opvoeders’. Dit interview is in december 2025 gepubliceerd op de website van KPC-Groep en in januari 2026 als online artikel in de Nationale Onderwijsgids.

“Ik ben een stuk stelliger geworden,” zegt neuropsycholoog Jelle Jolles halverwege het interview. Hij leunt iets naar voren, alsof hij zijn woorden extra gewicht wil geven. Het is de stelligheid van iemand die vindt dat het tijd is voor een andere koers. Zijn nieuwe boek ‘Het tienerbrein – een ander perspectief. Gids voor ouders, leraren en andere opvoeders’ is niet zozeer een vervolg op zijn eerdere boeken maar een praktijkboek: een gids voor ouders, leraren en andere opvoeders. En dat is dan ook de subtitel van het boek. Het laat zich lezen als een wake-upcall.

Jongeren lijken vaker vast te lopen in hun ontwikkeling dan voorheen. Ze worden sneller afgeleid, zijn uren per dag online, hebben een matig welbevinden en hebben last van de verwachtingen die aan hen worden gesteld. Ouders en leraren maken zich zorgen. Maar volgens Jolles ligt de oorzaak niet bij de jongeren zelf. “De tiener is werk in uitvoering, en is nog volop bezig om kennis en vaardigheden te verwerven. Maar wij behandelen hem alsof hij af is,” zegt hij. “Wij verwachten prestaties en inzichten die zij neuropsychologisch helemaal nog niet beheersen.” 

"De tiener is werk in uitvoering, en is nog volop bezig om kennis en vaardigheden te verwerven. Maar wij behandelen hem alsof hij af is."

Het is een stevige boodschap, maar eentje die steeds meer weerklank krijgt. Zo merkt Jolles in gesprekken met scholen en ouders tijdens studiedagen, adviesgesprekken en lezingen. In een videogesprek met KPC-Groep neemt de emeritus-hoogleraar neuropsychologie de tijd. Niet alleen om een aantal inzichten uit zijn boek te delen. Ook laat hij zijn licht schijnen over de bredere maatschappelijke context waarin kinderen en jongeren opgroeien. Die context is volgens hem vooral pedagogisch verschraald. “We hebben minder tijd voor de jongere, praten minder en hebben minder interactie en geven minder steun en inspiratie dan de jongere nodig heeft; op school, thuis en in de vrijetijdsbesteding.”

Opvallend aan zijn nieuwe boek is hoe toegankelijk Jolles zijn inzichten heeft gemaakt. Het opent met een helder voorwoord en een inleiding waarin de tien kernaanbevelingen voor opvoeders en beleidsmakers alvast worden neergelegd. Als een soort kaart voor wie verder wil lezen. In de rest van het boek keren die lijnen terug in dertig compacte kaders met praktijktips. Geen theoretische uitstapjes, maar concrete vensters op de dagelijkse werkelijkheid van jongeren. Met titels als ‘De tien essentiële voorwaarden voor ontplooiing’, ‘Tien breinfeiten die iedere opvoeder moet kennen’ of ‘Neuropsychologische functies bij plannen en organiseren’. Die kaders blijken - zo leren de eerste reacties op het boek - voor veel lezers de ingang te zijn. Het maakt het boek minder een doorlopende verhandeling en meer een raadpleegbare gids, die je ook open kunt slaan op een vraag die nú speelt.

"We hebben minder tijd voor de jongere, praten minder en hebben minder interactie en geven minder steun en inspiratie dan de jongere nodig heeft; op school, thuis en in de vrijetijdsbesteding."


Wil je meer weten over het tienerbrein en op de hoogte blijven van nieuwe artikelen over dit thema? Schrijf je dan in voor het kennisdossier 'Neuropsychologie van leren en onderwijs' van de Wij-leren Academie. 


Regie die jongeren nog niet kunnen dragen

Een van de meest besproken en tegelijk lastigste thema’s in de onderwijspraktijk is eigenaarschap: het idee dat leerlingen zelf de regie voeren over hun leerproces. Maar Jolles windt er geen doekjes om: het is een misverstand dat hardnekkig blijft rondzingen. “De regie voeren over het eigen leerproces is voor vrijwel alle tieners onmogelijk,” stelt hij. “Tenminste niet op de manier waarop wij het bedoelen. Een dertienjarige heeft niet de taal, het zelfinzicht, de zelfregulatie, het vermogen om consequenties te overzien en het toekomstbesef om dit serieus te kunnen doen.” Hij kan wel ‘regie-assistent’ zijn met de leraar als regisseur, voegt hij toe.

"Een dertienjarige heeft niet de taal, het zelfinzicht, de zelfregulatie, het vermogen om consequenties te overzien en het toekomstbesef om dit serieus te kunnen doen."

Jolles herinnert aan de vele onderwijsvernieuwingen die de afgelopen decennia zijn omarmd, van het studiehuis en het nieuwe leren tot competentiegericht onderwijs en leerpleinen. “Steeds gingen we ervan uit dat jonge tieners autonoom wilden en konden leren. Maar uit dertig jaar wetenschappelijk onderzoek naar tienerontwikkeling en hersenrijping weten we dat zij nog niet over de basisvaardigheden voor echte autonomie beschikken.”

Volgens Jolles is dat zichtbaar in de klas. “Jongeren raken verward door vrijheid. Ze worden onzeker omdat ze niet precies weten wat er van hen wordt verwacht. Leraren zien dat gedrag soms als onwil, terwijl het meestal onvermogen is.” Onderwijsinnovatie blijft volgens hem een ‘must’, “maar dan wel met de kritische vraag: zijn we op de goede weg, en zijn er betere routes om ons doel te bereiken?” Met zijn nieuwe boek wil hij duidelijk maken dat het tijd is om de heersende onderwijsvisie te herzien en weer veel sterker in te zetten op begeleiding, feedback, richting geven en inspireren. “Kortom: rekening houden met het feit dat de leerling nog volop in ontwikkeling is. Vandaar mijn pleidooi voor de verschuiving van teaching naar learning.”

"Onderwijsinnovaties vragen altijd om een kritische vraag: zijn we op de goede weg en zijn er betere routes om ons doel te bereiken?"

Jolles’ waarneming: als volwassenen projecteren we verwachtingen op jongeren die neuropsychologisch onvolwassen zijn. Dat geldt niet alleen voor jonge tieners maar ook voor studenten van 18 jaar en ouder die al behoorlijk wat weten maar nog steeds veel kennis en vaardigheden verwerven. Het andere perspectief waar hij voor pleit, begint dan ook met het inzicht dat de hele adolescentie van tien tot vijfentwintig jaar een tussenfase is tussen kindertijd en volwassenheid. Een tussenfase waarin jongeren gericht begeleid moeten worden, stevig zelfs, maar wel vanuit vertrouwen. “En hier komt volgens hem de onderwijspedagogiek om de hoek kijken: niet als abstract gegeven, maar als noodzakelijk element in de dagelijkse praktijk van het onderwijs." Het gaat om de leraar die de voorwaarden schept voor optimaal leren; zorgen dat de leerling ‘aan’ gaat staan. En daarvoor zijn nodig: nabijheid en vertrouwen. Interesse in de leerling als persoon, uitleg, feedback op inhoud en aanpak, voorbeeldgedrag en inspiratie, en het wijzen van routes. “Ik pleit voor een verschuiving ‘van teaching naar learning’ waarbij het gaat om het actief begeleiden van een onvolwassen jongere in een complexe wereld.”

"Het gaat om de leraar die de voorwaarden schept voor optimaal leren; zorgen dat de leerling ‘aan’ gaat staan."

Taal als sleutel tot denken, voelen en handelen

In zijn nieuwe boek dat een sterke praktische insteek heeft (met dertig kaders vol tips en aanbevelingen), staat Jolles uitgebreid stil bij de ontwikkeling van mondelinge taalvaardigheden. Taal is volgens hem veel meer dan een communicatiemiddel: het is het fundament onder de denkprocessen die ten grondslag liggen aan leren en persoonlijke groei. “Taal is het voertuig van het denken,” stelt hij. “Je kunt je emoties pas goed begrijpen als je de woorden hebt om ze te benoemen. Je kunt pas plannen als je taal hebt om scenario’s te beschrijven. Je begrijpt anderen pas echt als je oog hebt voor de vele nuances in taal. Denk aan het gebruik van spreekwoorden en metaforen, van humor, ironie en sarcasme en aan het feit dat enorm veel woorden en begrippen dubbele of meervoudige betekenis kunnen hebben.” “Sommige jongeren beschikken nog niet over een algemeen bruikbaar vocabulaire. Ze missen woorden voor gevoelens, voor morele dilemma’s, voor abstracte concepten. En zonder woorden blijft de innerlijke wereld klein.”

Volgens Jolles komt dat door een samenspel van factoren: ouders die minder tijd hebben of overbelast zijn, kinderen die niet worden voorgelezen, en scholen waar veel wordt uitgelegd maar weinig wordt gediscussieerd. “Driekwart van onze tieners kent de belangrijkste emotiewoorden niet. Zonder die woorden kun je niet reflecteren, niet verbinden en empathie ontwikkelen en niet leren je eigen plek in een groep of in de samenleving te vinden.”

Hij ziet daarom een belangrijke rol voor scholen (naast de vanzelfsprekende taak die ouders hebben in het proces van de ontwikkeling van mondelinge taalvaardigheden), maar nooit als ‘extra taak’. Het gaat om luisteren, om mondeling overleg tijdens de les, om thema’s uit de wereld van jongeren te koppelen aan het curriculum, om momenten van echte interactie. Taal, gedrag en denken grijpen op die manier vanzelf in elkaar. “Wie zichzelf leert verwoorden, leert zichzelf begrijpen. En daarmee ook de ander.”

"Driekwart van onze tieners kent de belangrijkste emotiewoorden niet. Zonder die woorden kun je niet reflecteren, niet verbinden en empathie ontwikkelen en niet leren je eigen plek in een groep of in de samenleving te vinden."

Executieve functies: de warme kant van ontwikkeling

In zijn boek gaat Jolles ook uitgebreid in op de executieve functies. De afgelopen jaren is het begrip executieve functies een containerbegrip geworden voor van alles en nog wat. Vaak gaat het dan over geheugen, inhibitie of planning; de zogeheten koude executieve functies. Maar Jolles ziet dat de zogenaamd ‘warme’ executieve functies veel belangrijker zijn voor onderwijs en opvoeding: het gaat om het zelfinzicht en de zelfregulatie, empathie en het vermogen om emoties te begrijpen, plannen, de morele ontwikkeling, het overzien van consequenties en het kunnen denken in termen van scenario’s, regels, normen en waarden.

Als die warme functies zich niet goed ontwikkelen, krijgen jongeren een zwakke zelfregulatie en gaan zwalken, waarschuwt Jolles. Ze worden overspoeld door emoties die ze niet kunnen duiden. Ze reageren impulsief omdat ze geen scenario’s kunnen overzien. Ze raken in conflicten omdat ze niet begrijpen wat er in de ander gebeurt en wat de bedoelingen zijn van het onderwijs. “Alles grijpt in elkaar,” zegt Jolles. “Taal, denken, motivatie, sociaal redeneren; het is één geheel.” En ook hier speelt de omgeving een cruciale rol. Jongeren leren deze vaardigheden niet door een lesprogramma of een boekje, maar door interactie met ouders, school, leeftijdsgenoten, door gesprekken en door begeleiding. “De school is daarin essentieel: een van de weinige plekken waar dat nog vanzelfsprekend mogelijk is.”

"Jongeren worden onzeker omdat ze niet weten wat er van hen wordt verwacht en hoe ze aan de verwachtingen invulling kunnen geven. Leraren interpreteren hun gedrag soms als onwil, terwijl het meestal onvermogen is."

De schaduwzijde van digitalisering

Jongeren bewegen zich steeds meer in een digitale tweedimensionale wereld die weinig aanleiding geeft tot reflectie, nuance of complexe interactie. Tegelijk raken ze vervreemd van de fysieke wereld van mensen en sociale instituties die juist nodig zijn voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling.

De digitale omgeving kent volgens Jolles drie problemen: ze is vluchtig, ze is verslavend en ze is niet sociaal. “Niet voor niks wordt tegenwoordig steeds vaker gesproken over ‘de asociale media’.” “Jongeren zien gewoonlijk alleen minimale fragmenten van elkaar, niet de hele persoon maar emoticons of monosyllabe taaluitingen. Communiceren is te vaak zonder nuance, zonder directe sociale en emotionele interactie: de complexe lagen die bij echte ontmoetingen horen. En ouders weten vaak niet hoe ze hun kind in deze – voor hen nogal onbekende – wereld moeten begeleiden. Ouders kunnen het tempo niet bijhouden, missen digitale vaardigheden en kennis, of worden zelf opgeslokt door de werkdruk van alledag.” Daarom pleit Jolles niet zozeer voor minder digitalisering, maar voor intensiever functioneren in onze fysieke wereld. De omgeving die we kunnen zien, horen en voelen. De school moet in zijn ogen ook een sociale leeromgeving zijn: de plek waar jongeren leren hoe het echte gesprek klinkt, hoe je een conflict oplost, hoe je empathie ontwikkelt en hoe je grenzen verkent binnen relaties die ertoe doen. Hij noemt dat: “de 3D-wereld aantrekkelijker maken dan de 2D-wereld”, en kent scholen die hun pleinen herinrichten, aula’s opnieuw vormgeven en mentorgroepen gebruiken als veilige oefenplaatsen voor sociaal leren.

"We moeten de 3D-wereld aantrekkelijker maken dan de 2D-wereld."

Kansenongelijkheid als gevolg van omgevingsarmoede

Een ander thema dat we aansnijden naar aanleiding van zijn boek: kansenongelijkheid. De ongelijkheid is de afgelopen jaren gegroeid, zegt Jolles, en niet alleen door de coronaperiode. Kinderen met ouders die tijd, taal en aandacht en geld hebben, komen vaak vanzelf verder doordat zij meer uitdagingen hebben in hun leefomgeving met een rijkere taal, en daardoor leerervaringen kunnen opdoen.

Ouders die nauwelijks rondkomen of twee banen hebben, kunnen die ontwikkelrijke omgeving veel minder bieden. “De tragiek is dat het niet aan de ouders ligt, maar aan de omstandigheden,” zegt hij. “Zij willen net zoveel voor hun kinderen. Ze hebben alleen minder opties.” Sommige kinderen komen op school met te weinig slaap, te weinig ontbijt, te weinig gesprek met hun ouders. Niet omdat ouders niet betrokken zijn, maar omdat het leven hen overvraagt. Volgens Jolles kan juist de school een verschil maken, mits scholen zichzelf zien en opwerpen als partners van ouders. Hij pleit daarvoor overigens al jaren, ook in zijn eerdere boeken.  

"Sommige kinderen komen op school met te weinig slaap, te weinig ontbijt, te weinig gesprek met hun ouders."

Scholen zouden structurele oudernetwerken moeten opzetten. Geen traditionele ouderavonden, maar programma’s waarin ouders leren hoe ze hun kinderen kunnen ondersteunen, hoe ze taal kunnen stimuleren, hoe ze grenzen stellen en hoe ze de verleidingen van de digitale wereld kunnen bespreken. “Ouders weten vaak niet hoe het werkt, en dat is helemaal niet raar. Maar school kan dat wél uitleggen.”

Daarnaast vindt hij dat kansarme scholen recht hebben op de beste leraren. De populatie die het meest ondersteuning nodig heeft, krijgt deze nu vaak het minst. Een financiële prikkel om hoogwaardige leraren aan te trekken is volgens hem dan ook noodzakelijk.

De leraar als motor, maar nooit als enige verantwoordelijke

We staan verder stil bij het onderwijs en de rol van leraren (“motor van talentontwikkeling” volgens Jolles). Zij zijn degenen die jongeren begeleiden, feedback geven, inspireren en corrigeren. Maar een motor kan niet zonder versnellingsbak, wielen of brandstof, trekt Jolles de metafoor door. “Schoolleiders, besturen, ouders, jeugdprofessionals en beleidsmakers vormen het geheel dat maakt dat de motor kan draaien.”

"Schoolleiders, besturen, ouders, jeugdprofessionals en beleidsmakers vormen het geheel dat maakt dat de motor kan draaien."

Het onderwijs kan het niet alleen, en moet dat ook niet willen, meent Jolles. Hij pleit voor structurele samenwerking van scholen met gedragswetenschappers (die juist hebben geleerd hoe het zit met ontwikkeling, met psychologische processen en sociale en emotionele vaardigheden en daardoor een krachtige support kunnen zijn voor de leraar), voor mentoren die tijd krijgen voor echte begeleiding gericht op de leerling en niet alleen op het verwerken van de leerstof en voor lerarenopleidingen die meer aandacht besteden aan de neuropsychologische vaardigheden en het gedrag en de beleving van adolescenten. “Alleen dan kunnen we het systeem bouwen dat jongeren verdienen.”

Nogmaals herhaalt Jolles zijn boodschap: onderwijsvernieuwing die alleen uit het onderwijs komt, houdt geen stand. “De kennis over jongeren is verspreid over ontwikkelingspsychologie, onderwijswetenschappen, onderwijspsychologie, neuropsychologie, cognitieve psychologie, pedagogiek, sociologie, jeugdzorg en nog andere disciplines. Alleen wanneer deze domeinen samenwerken, ontstaat er verandering die wél duurzaam is. Onderwijs is de motor, maar zonder versnellingsbak, zonder wielen en zonder brandstof kom je nergens.” Hij hoopt dat onderwijsprofessionals, ouders, jeugdinstituten, adviesorganisaties, gemeenten en beleidsmakers de handen ineenslaan en stoppen met het opnieuw uitvinden van wiel na wiel, los van elkaar. Hij hoopt dat de tijd voorbij is dat van losse initiatieven die werken vanuit aannames, maar niet vanuit kennis. Voor Jolles is samenwerking uiteindelijk een pedagogische opdracht op macroniveau: volwassenen die samen het pad effenen dat jongeren zelf nog niet kunnen zien.

"De kennis over jongeren is verspreid over ontwikkelingspsychologie, onderwijswetenschappen, neuropsychologie, cognitieve psychologie, pedagogiek, jeugdzorg en andere disciplines. Alleen wanneer deze domeinen samenwerken, ontstaat er verandering die wél duurzaam is."


Wil je meer weten over het tienerbrein en op de hoogte blijven van nieuwe artikelen over dit thema? Schrijf je dan in voor het kennisdossier 'Neuropsychologie van leren en onderwijs' van de Wij-leren Academie. 


Veel op het spel

Er staat eenvoudigweg te veel op het spel. “Het potentieel ligt bij onze jongeren. Maar als wij de voorwaarden niet scheppen voor de ontwikkeling en uitbouw van hun talenten, kunnen ze dat potentieel niet waarmaken.” En wat als de bakens niet verzet worden? De gevolgen schetst Jolles zonder omwegen. “Nog meer jongeren die verdwalen in digitale werelden, nog meer tieners die de regels niet begrijpen en daardoor als ‘tuig’ worden bestempeld zonder dat ze ooit hebben geleerd hoe het wél moet, een toename van jongeren met een gebrekkig welzijn, die niet weten waartoe ze zich ontwikkelen en beroep doen op de GGZ. Een groter gat tussen jongeren en de arbeidsmarkt. En uiteindelijk het risico op een verloren generatie.”

Maar Jolles blijft hoopvol. Net als de grondtoon in zijn nieuwste boek. “Jongeren zijn leergierig, nieuwsgierig en vol potentie. Zij zijn onze hoop en toekomst, maar ze hebben begeleiding, inspiratie en sturing nodig. Dat kunnen we alleen samen.”

In Figuur 1 presenteert Jolles tien kernpunten die inzicht geven in de lerende tiener.

Figuur 1. De lerende tiener in 10 kernpunten. 

Wil je deze visuele ondersteuner gratis downloaden in hoge resolutie en op de hoogte blijven van nieuwe artikelen over dit thema? Schrijf je dan in voor het kennisdossier 'neuropsychologie van leren en onderwijs' van de Wij-leren Academie. 

Bronnen

Jelle Jolles (2025). Het tienerbrein: een ander perspectief. Gids voor ouders, leraren en andere opvoeders. Uitgeverij Neuropsych Publishers.

Heb je vragen over dit thema? Stel ze in de onderwijs community binnen de Wij-leren.nl Academie!

Dossiers

Uw onderwijskundige kennis blijft op peil door 4000+ artikelen.